1. Het overhemd van Elvis Costello
    (27 maart 2021)
  2. Tussen Hulshorst en Nunspeet (een man worden)
    (04 april 2020)
  3. Het populairste bandje van Mozambique
    (14 maart 2020)
  4. Goedemiddag
    (22 februari 2020)
Het overhemd van Elvis Costello
leestijd: 5 min

'You want more boohhh?'

En er klonk nog meer luid boe-geroep dan we al hadden gehoord. Het publiek was dan ook niet gekomen voor het voorprogramma door het New Yorkse synthesizerduo Suicide. Zanger Alan Vega kon hier niet mee zitten, gaf een teken aan zijn toetsenist en er volgde nog een van weltschmerz doortrokken nummer. Met ritmebox en elektronica, zijn tijd ver vooruit. Achteraf kon je vermoeden dat de organisatoren in de Evenementenhal er bij Suicide op hadden aangedrongen hun optreden zo veel mogelijk te rekken. Backstage was er de nodige onenigheid met hoofdact Elvis Costello & The Attractions, waarvoor de naar huidige maatstaven aftandse zaal was volgestroomd. Costello was de nieuwe angry young man van de popmuziek en angry was hij deze avond zeker.

Het optreden de avond ervoor in Den Haag was nogal rellerig verlopen, vernamen wij later uit de pers. Een deel van het publiek was gekomen om heibel te schoppen en er was met bier naar de band gegooid. Een van de gitaarversterkers had daarbij het loodje gelegd. Elvis was ontdaan en wilde niet meer in Nederland spelen. In die sfeerloze Evenementenhal stonden we echter maar te wachten en te wachten. Wachten op al die gedreven popsongs waar we verliefd op waren geworden, die urgente sound van de plaat 'This Year's Model' waar je absoluut niet op kon blijven stilstaan.

Het duurde bijna een uur na Suicide en daar waren ze dan ineens: Elvis Costello & The Attractions. Ze speelden in een noodtempo en vol vuur slechts één nummer, een cover van Nick Lowe's klassieker '(What's So Funny About) Peace, Love & Understanding'. Even snel als ze waren gekomen waren de vier mannen ook weer weg en de tl-lampen in de zaal gingen aan, de toeschouwers in onbegrip achterlatend. Voorzichtig klonk na het daverende applaus opnieuw wat boe-geroep en iemand van de organisatie kwam het podium op en vertelde dat we nog niet moesten weggaan.

Wat er backstage allemaal is geregeld, is mij onbekend. Na ruim tien minuten kwamen onze muzikale helden toch weer op en in drie kwartier speelden ze een vlammende set. Bijna alle songs van die nieuwe plaat denderden uit de boxen en ook nog wat hoogtepunten van het 't jaar daarvoor verschenen debuut 'My Aim Is True'. We sprongen en dansten door de zaal. Alle nummers buitelden over elkaar heen, er werd door de bebrilde zanger geen woord tot het publiek gericht. Wij waren immers Nederlanders, stennistrappers en biergooiers. Inmiddels was ons vriendenclubje waarmee we naar het concert waren gekomen door de hectiek in de immens grote zaal flink uit elkaar geslagen. Het staat me niet meer bij met wie ik op die warme avond in juni nog het café ben ingedoken.

De volgende dag ging vroeg in de middag bij mij de deurbel. Het was mijn vriend Gijs. En hij had een plastic tasje in zijn hand. Gijs was mee geweest naar het concert en na afloop in café Het Pakhuis beland. Daar was ik in ieder geval niet geweest die avond. Achteraf wel jammer, want Gijs vertelde dat hij daar de mannen van The Attractions had ontmoet - zonder Elvis Costello, die was rechtstreeks van de Evenementenhal naar zijn hotel gegaan. Gijs had gezellig met ze staan kletsen. Sterker nog, Gijs was in het gezelschap van zijn jongere zusje Plien en die had zowaar sjans gekregen met Pete Thomas, de drummer van The Attractions. Van sjansen was zoenen gekomen en dit leidde tot de invitatie van de drummer aan Plien om mee te gaan naar het hotel. Plien was 17 jaar en al een vroegrijpe spring in 't veld. Dit maakte dat de oudere broer wat vaderlijke instincten ging vertonen en besloot mee te gaan naar het hotel. Ongetwijfeld was dit een ongemakkelijke situatie. Over hoe ver de kortstondige romance van Plien en de drummer is gegaan, daarover verschillen de verhalen.

Gijs stond mij dus te vertellen van het nachtelijke avontuur, nog steeds met die plastic tas in zijn hand. Toen hij klaar was met zijn verhaal, haalde hij een overhemd uit de tas die nog in de fabrieksfolie verpakt zat. 'Alsjeblieft', zegt hij, 'jij bent zo'n grote fan van die man dus ik denk dat jij wel een overhemd van Elvis Costello wilt hebben'. Ik stond paf. Hoezo dit nou weer? Gijs was in mijn vriendenkring altijd al degene met kleptomane neigingen. Ik heb bij hem thuis menig karbonaadje verorberd die bij supermarkt Fred van der Werff op onrechtmatige wijze van eigenaar was gewisseld. Als ik een goedkoop sjekkie draaide, kwam Gijs op de proppen met een dure sigaret. 'Gepikt', zei hij dan. 'Rook maar lekker op'. En de avond ervoor was hij dus als chaperon van zijn zusje Plien op de hotelkamer beland, die de drummer van de band deelde met Elvis Costello. Die had daar niets van gemerkt, vertelde Gijs. Die lag in diepe slaap op bed met zijn kleren nog aan. Op het voeteneind had Gijs het overhemd zien liggen en bij vertrek uit de hotelkamer had hij het gegapt.

Ik zat inmiddels met de hele situatie in mijn maag. Wat een lage streek vond ik dat, een overhemd jatten van een slapende man. Maar Gijs haalde het kledingstuk uit de folie en beval mij het bovenlijf te ontkleden. Ik moest en zou het overhemd van Elvis Costello aantrekken. Dat heb ik gedaan. Het zat wat krap. Maar dat was niet de reden waarom ik het meteen nadat Gijs weer was vertrokken weer heb uitgedaan. Ik vond het gewoon gênant. Zou Elvis Costello wel een schoon shirt hebben, als hij 's avonds weer elders zou gaan optreden? Wekenlang heb ik ermee gezeten of en hoe ik het overhemd zou moeten of kunnen terugbezorgen. Uiteindelijk sleet de schaamte en belandde het ergens achter in de kledingkast. Een poosje geleden kwam ik het overhemd weer tegen. Nog steeds achter in een kast, inmiddels vier woonhuizen verder. Een zandkleurig hemd van niet al te prettig voelende stof. Ik zal het nooit meer passen, daarvoor ben ik te uitgedijd. Als ik recente foto's van Elvis Costello zie, denk ik dat ook hij er niet meer in past. Maar weggooien doe ik het ook niet. Het zal wel voor altijd achter in een kledingkast blijven liggen als tastbare herinnering aan een bizar concert, aan de avonturen van Plien en aan de vriendschap met Gijs, van wie ik in de loop der jaren behoorlijk vervreemd ben geraakt.

Tussen Hulshorst en Nunspeet (een man worden)
leestijd: 7 min

De streekbus zette ons vieren af vlakbij het bospad dat leidde naar het vakantiehuisje. De trein die we hadden genomen stopte niet in het pittoreske Hulshorst, dus reden we door tot Nunspeet en gingen daarna in de bus terug in de richting van waar we vandaan waren gekomen. Het vakantiehuisje was van Melles moeder. Het was ook zijn idee geweest om een midweek tijdens de paasvakantie in de bossen te gaan bivakkeren. Hugo was ook mee, hij was al iets ouder dan wij en had het VWO bereikt via tussenstops op de HAVO. De vierde in het gezelschap was Daantje, een meisje van vijftien dat in de schoolkantine moeiteloos aansluiting vond bij alle sociale kringen. Vier opgeschoten tieners.

We hadden proviand bij ons. Pasta en rijst met instant sauzen, ravioli in blik en de halverwege jaren '70 onvermijdelijke vruchtenwijn. Die kocht je in literpakken bij de supermarkt. Tieners liepen nog rond zonder ID-kaarten en er werd nimmer naar je leeftijd gevraagd als je alcohol kocht. Er was ook een liter sherry mee, voor mocht er die dagen zucht ontstaan naar een echt en meer luxueus drankje.

Op de tweede avond maakten we een boswandeling na het eten. Melle had een oogje op Daantje maar zij hield hem af en kwam steeds vaker naast mij lopen, ik die al mijn hele leven bij iedere boswandeling steevast achterin de groep loop.

Terug in het huisje maakte Daantje de divan op in de keuken-woonkamer, waar zij de eerste nacht ook had geslapen. Hugo, Melle en ik sliepen in de twee slaapkamers. "Kom je bij mij liggen?", vroeg Daantje terwijl Melle en Hugo zich nog tegoed deden aan wat limonadeglazen vol vruchtenwijn. Ik, 17 jaar oud en totaal naïef, vleide mij neer aan de linkerkant van de divan, waarop Daantje zich naar mij toedraaide en de deken ook over mij heen legde. "Wij willen even samen zijn", zei ze tegen Melle en Hugo, geheel voorbijgaand aan of ik dat ook wel wilde en dat liet ik maar begaan. De twee jongens trokken zich terug op het terras en toen ze het daar te koud vonden worden zullen ze wel naar een van de slaapkamers zijn gegaan. De fles sherry was de volgende dag voor meer dan de helft op.

Daantje kroop ineens tegen mij aan en bleek tot mijn verbazing niets meer aan te hebben dan haar onderbroek. "Kleed jij je ook uit?", vroeg ze. Dat deed ik.

Tot mijn zeventiende had ik al meer dan genoeg fantasieën over seks gehad, maar ik had er geen enkele ervaring mee. Ik behoorde op het schoolplein tot diegenen die graag mee luisterden naar de stoere verhalen die rondgingen. Wanneer het over vrijen ging had ik nimmer een bijdrage uit eigen ervaring en hield me stil. Ik was ook al wel eens zwaar verliefd geweest, maar had dit nooit geuit, aan bevriende jongens noch aan de meisjes. En nu lag ik ineens in een Veluws vakantiehuisje in bed naast een lief maar mij verder tamelijk onbekend meisje, wij beiden gehuld in niets dan een onderbroek.

Daantje kwam met haar borsten tegen mij aan liggen en begon mij voorzichtig te zoenen. In mijn verwarring en naïviteit kwam ineens de gedachte op dat dit wel eens seks zou kunnen zijn. Ik belandde in een roes. Een mix van opwinding en angst, gepaard met misschien wel de grootste onzekerheid die ik ooit in mijn leven heb gevoeld. Ondertussen was mijn geslacht aanzienlijk gezwollen en in staalharde toestand beland. Daantje wist heel goed wat zij moest doen om een jongen fysiek in de stemming te brengen voor de daad.

"Trek jij ook je onderbroek uit?" Wat kon ik anders. Ik deed het. "Kom je op mij liggen?" En ook dat deed ik. Daantje greep mijn pik en stopte die bij haar naar binnen. Op dat moment besefte ik mij dat ik aan het neuken was. Ik weet achteraf niet eens meer of ik dat lekker vond, weet wel dat de opwinding maar toenam en toenam.

"Je hoeft niet bang te zijn", fluisterde Daantje, "ik ben aan de pil". Op dat moment was ik wel voor duizend dingen bang, het krijgen van nageslacht was daar niet een van. Wat zij uiteindelijk heeft gevoeld of hoe zij zich verder uitte, ik weet het niet meer. Ik weet nog wel dat het bij mij eindigde met een fysieke explosie van adrenaline, schokkerigheid en een zaadlozing - zulks had ik de afgelopen jaren al vele malen bij mijzelf veroorzaakt, waarna mijn hele lijf langzaam maar gestaag terugvloeide in totale relaxtheid. Kalm, voldaan, maar ook verward, en het was toch een heel ander soort rust dan tijdens de boswandeling die misschien nog maar twee uur geleden was.

*

Enkele weken later zaten we met een hoop mensen 's avonds in Daantjes ouderlijk huis, gelegen in een welgestelde bungalowwijk aan de rand van Utrecht. Haar ouders waren er niet, maar iedereen mocht gerust zijn gang gaan. Daantjes vader was arts, gespecialiseerd in alternatieve geneeswijzen, moeder was yogalerares. Ze voedden hun kinderen geheel in de geest van de jaren '70 op in grote vrijheid.

Er was eten en drinken in overvloed, er zullen zo'n vijftien gevorderde tieners zijn geweest die avond, waarvan ik de meeste niet kende. De televisie stond aan en de finale van het EK voetbal werd gespeeld tussen West Duitsland en Tsjecho-Slowakije. In gestaag tempo werden de hapjes uit de koelkast verorberd evenals wat echte wijn en af en toe een koud biertje. Daantjes broer Bas zat centraal in de grote living en draaide op gezette tijden een pretsigaret die daarna rondging.

Het was nog niet zo laat toen Daantje aankondigde naar bed te gaan. Ze was moe en de aandacht ging inmiddels te veel uit naar de voetbalwedstrijd, waar zij niets om gaf. Ik bleef wel kijken. Toen Panenka met zijn legendarische penalty het pleit beslechtte, ging er een juichstemming op. De Duitsers waren immers verslagen en het was nog maar twee jaar na de Oranje WK-nederlaag op het WK 1974.

Daarna ontstond een genoeglijke en lange nacht met lekkere hasjgeuren, slokjes bier en de zorgvuldig door Bas uitgezochte elpees. Hij had niet lang daarvoor 'On The Beach' van Neil Young gekocht maar ook The Band, Poco, Loggins & Messina en alle eerdere platen van ome Neil kwamen voorbij terwijl de nacht voort gleed. Ik raakte aan de praat met Jacqueline, een klasgenote van Daantje en haar boezemvriendin. Ze hoorden echt bij elkaar en deelden hun amoureuze trofeeën. Dat wist het hele schoolplein. Jongens die wel eens wat hadden gescharreld met Daantje deden dat later onvermijdelijk met Jacqueline en andersom. Ik was ondanks mijn recentelijke ontmaagding nog steeds een naïef muurbloempje en zat gewoon met haar te praten.

We naderden midzomer en het werd licht buiten, terwijl binnen de mooie plaatjes en gemoedelijke sfeer aanhielden. "Ik ga naar bed, ga je mee die kant op?", vroeg Jacqueline en ik liep mee. We slopen zachtjes Daantjes kamer binnen waar Jacqueline de avond ervoor al een logeermatras had neergelegd. Daantje lag in diepe slaap. Jacqueline omhelsde mij en trok me mee naast zich. In volstrekte stilte voltrok zich de daad, maar ditmaal wist ik waar ik mee bezig was, vertrouwde er volledig op dat ik geen aanstaande tienervader aan het worden was, en genoot van de seks. Daantje draaide zich half slapend om, nadat Jacqueline en ik onze hoogtepunten hadden beleefd en volgens mij realiseerde zij zich toen wel wat er aan de hand was. Het scheen haar weinig te deren.

Ik voelde mij geen ladykiller en ben dat ook nooit geworden. Maar hé, in de zomer van 1976 was ik wel een vrijer geworden. Met ervaring.

Het populairste bandje van Mozambique
leestijd: 8 min

1982. Mijn vader was ambassadeur van Portugal in Mozambique en ik besloot hem op te gaan zoeken. Ik boekte de vluchten zodanig dat ik daar zeven weken zou zijn. Erg lang, zo lang had ik nog nooit verbleven bij mijn vader, die mijn moeder en mij had verlaten nog voordat ik een jaar oud was. Ik wist niet of ik het zo lang ging uithouden in zijn gezelschap, maar dit was tenslotte een mooie gelegenheid om vanuit een gerieflijke thuisbasis eens flink rond te reizen in zuidelijk Afrika. Dus ik zou zeker niet de hele tijd op zijn lip zitten.

Na een lange vlucht die rond middernacht begon in Lissabon, arriveerde ik bijna twintig uur later in de vroege avond op de luchthaven van hoofdstad Maputo. Pa haalde mij af in gezelschap van zijn toenmalige Zweedse echtgenote en ambassadechauffeur Senhor Alves. Ik werd door Alves weggeplukt bij de vliegtuigtrap en zonder verdere formaliteiten - visum noch paspoort werd gecontroleerd - naar de VIP-ruimte geloodst. Vandaar gingen we rap in de zwarte Mercedes. Het diner dat erop volgde was copieus en werd voorafgegaan door flinke bellen whisky met ijs. Het maakt niet zoveel uit waar diplomaten zijn gestationeerd, ook al wonen ze in een straatarm land als Mozambique, de levensstandaard van wie rondrijdt met een CD-nummerbord is comfortabel.

De Portugese ambassade was gelegen op een schiereiland in het zuiden van Maputo. Daar bevonden zich ook alle andere ambassades. Voor de veiligheidsfunctionarissen van het toen communistische Mozambique was dit makkelijk te controleren.

Al op de eerste dag werd mij duidelijk dat mijn verblijf anders zou gaan verlopen dan ik mij had voorgesteld. 's Ochtends maakte ik een wandeling in de buurt van de ambtswoning en werd na een paar honderd meter al vriendelijk doch beslist tegengehouden door militairen. De diplomatenbuurt was afgeschermd, gasten van de regeringen die hun buitenposten op het schiereiland bewoonden werden niet geacht zonder toestemming of begeleiding zomaar de stad in te lopen. Teleurgesteld sukkelde ik terug naar de ambtswoning. Tot zover het ontdekken van Afrika, het rondreizen in dit intrigerende deel van de wereld.

Gunilla, de Zweedse echtgenote van pa, hing inmiddels verveeld rond bij het privézwembad. Daar plofte ik neer in een strandstoel. Even na twaalven verscheen ook pa bij het zwembad. Hij lunchte altijd thuis, het was nog geen kilometer van het ambassadegebouw. Voor de lunch namen Gunilla en hij, en nu ik dus ook, een stevige bel whisky met ijs, meestal twee en soms drie. Dan volgden twee gangen, waarvan één de grote schaal vol gamba's was die ambassadekok Lourenço voortreffelijk grilde en voorzag van zelfgemaakte sauzen om van te smullen. Mozambique stond aan de rand van de financiële afgrond maar uit de Indische Oceaan was er een overvloed aan gamba's. Niet zoals wij ze hier gewend zijn, deze waren als croissants zo groot.

Kok Lourenço, gitzwart en immer breed lachend, en chauffeur Alves, een blanke Mozambikaan met Portugese wortels, waren de gangmakers van de Portugese representatie in Maputo. Beiden sjacheraars, zij kenden de weg in de stad en wisten in de grote schaarste en armoe waarin Mozambique verkeerde te zorgen voor de mooiste groenten, benzine voor de auto, verantwoord drinkwater. Verder werkten er nog twee bedienden, een echtpaar afkomstig van de Shosa-stam, beiden door koloniale invloeden bekeerd tot het protestantisme en levend in streng calvinistische soberheid. De laatste bewoner van het Portugese deel van de compound was Caligula, de moddervette gecastreerde knaloranje kat die Pa en Gunilla hadden meegenomen uit de vorige standplaats Straatsburg en die in vele opzichten het epicentrum vormde van hun verder kinderloze leven.

Aldus fladderde ik mijn verblijf wat door in Mozambique. Tweemaal daags van zwembad naar whisky naar gamba's. Hoogtepuntjes waren enkele tochtjes waarbij ik met Alves in de Mercedes mee mocht op struintochten langs markten en betrouwbare achterdeuren, en hij mij enkele mooie dingen in de miljoenenstad Maputo liet zien. Zo staat daar het allereerste prefab huis ter wereld, in de 19de eeuw ontworpen door Gustave Eiffel. Ik bezocht een platenzaak en kocht een paar singletjes, waaronder van The Movers.

's Avonds was er af en toe afleiding. Het diplomatencorps gaf met regelmaat diners en feestjes waarbij de confrères werden uitgenodigd en ik mocht mee. De tweede lading whisky en gamba's werden dan elders genuttigd. Het moet op zo'n avond zijn geweest dat ik Joan Woods ontmoette, een medewerkster van de Britse ambassade die niet veel ouder was dan ik en voor wie ik een acute crush opliep.

Joan was net als ik geïnteresseerd in culturele zaken, hield van moderne muziek in het algemeen en van The Stranglers in het bijzonder. Dat vond ik intrigerend, het was niet wat ik verwachtte van een diplomate. Die zijn in het beste geval gecharmeerd van Mozart en Bach maar doorgaans niet vies van een potje dixieland of andere banale music for the millions. Er volgden meer diners. Joan en ik zochten elkaar dan op en lulden tot bijna iedereen alweer was vertrokken.

Na een poosje vatten de Britse schone en ik het plan op om te proberen een concert te bezoeken. Maputo had een grote schouwburg waar soms wat te doen was en een concert van The Movers was aangekondigd. Daar had ik dus inmiddels een paar singletjes van. Dacht ik. Heel leuke Zuid-Afrikaanse kwela-muziek, ik begreep ineens waar Talking Heads de mosterd haalden. Senhor Alves werd na enig overleg door Pa ingeschakeld om te proberen twee kaartjes te ritselen voor het concert van The Movers. Dat had Alves in minder dan een uur voor mekaar. Er was wel een grote maar: het betrof een concert van de Mozambikaanse Movers, niet de band uit Zuid-Afrika die ik zo leuk vond. Ach, wat donderde het? Joan en ik gingen eindelijk een plons wagen in de lokale cultuur. Ik belde haar op de Britse ambassade en zij was ook verrukt.

De grote dag was aangebroken. Om redenen van veiligheid en verantwoordelijkheden werden Joan en ik ieder door de eigen ambassadewagen naar het theater gereden. Daar ontmoetten we elkaar voor de deur en kregen een escorte naar onze zitplaatsen, achterin het theater op het balkon. We waren de enige twee witte mensen in het gebouw. De zaal was afgeladen en toch was de stemming bedrukt. Een hardcore communistisch regime in tropisch Afrika voelt op bepaalde manier aan als Staphorst. Je zou eens ergens plezier in kunnen hebben. Dat was niet de bedoeling.

De zaallichten dimden. Het leek wel een eeuwigheid voordat de band opkwam en dat kwam natuurlijk ook doordat ik naast Joan zat. Wij waren de vreemde eenden in deze bijt en dat gaf mij het gevoel dat ik alleen met haar was.

Ineens gingen de spotlights op het podium aan. Zes mannen kwamen op, de drummer ging zitten. Joan en ik waren wel een beetje verward, want we zagen helemaal geen exotische percussie. Er waren geen blazers. The Movers - die uit Mozambique - deden het met een standaard rockbezetting. Niettemin, geef ze een kans! De frontman liep naar voren, ging bij de microfoon staan. Zonder een woord te zeggen kreeg hij binnen enkele tellen de zaal muisstil. Hier zaten wel minstens duizend fans van The Movers te wachten op de ontlading. De drummer tikte af en ze zetten in:

Sultans Of Swing van Dire Straits was het eerste nummer. Er volgde nog ruim anderhalf uur valiumrock met nummers van Santana, Eric Clapton en weet ik niet wat. Joan en ik hebben die avond verder geen woord gewisseld. Alle moeite was voor niks geweest, we hadden ons enorm verheugd op een kat in de zak. Na afloop gaven we elkaar een flauwe glimlach van ontluistering en werden elk naar de eigen CD-wagen gevoerd.

Een week later zag ik Joan weer. Ik was als Nederlands staatsburger uitgenodigd voor Koninginnedag op de Nederlandse missie. Daar werd mij pijnlijk duidelijk dat Joan helemaal niet single was. Ze had dikke verkering met de Nederlandse zaakgelastigde, een roodharige corpsbal met atletisch voorkomen. Nog voor de zon onderging ging ik out op een teveel aan ijskoude jenever op een karig bodempje zoute haring, speciaal diepgevroren ingevlogen ter ere van de jaardag van Majesteit. Ik weet niet meer hoe ik die avond weer op de Portugese ambassade ben beland, maar ik vermoed dat Alves mijn stomdronken lijf in de zwarte Mercedes heeft getild.

Nog twee weken duurde mijn verblijf in Mozambique.

Kok Lourenço werd in mijn laatste Afrikaanse week ontslagen wegens bedrog, diefstal en corruptie. Een verdwenen dozijn alkalinebatterijen was de directe aanleiding maar dit was niet meer dan de druppel die een emmer deed overlopen.

Ik las nog twee boeken van Graham Greene.

Joan Woods heb ik na mijn gênante drinkgedrag op Koninginnedag 1982 nooit meer gezien.

De Falkland Oorlog heb ik helemaal gelezen in de International Herald Tribune.

Op de terugreis kocht ik in Lissabon de single Golden Brown van The Stranglers

De singletjes van de Zuid-Afrikaanse The Movers heb ik nog.

Goedemiddag
leestijd: 3 min

Vrijdagmiddag word ik opgenomen in het ziekenhuis. Maandag wacht mij een zware operatie. Ik voer verschillende gesprekken op de verpleegafdeling longziekten en word daarna naar mijn kamer gebracht. Een mooie ruime kamer die ik met drie andere patiënten deel. Meteen rechts van de deur ligt een zwaar kuchende man in zijn bed. "Ik zal me maar meteen even voorstellen, mijn naam is José" en ik geef hem een hand.
"Otto", antwoordt de man.

De verpleegster loopt voor mij uit naar het bed naast dat van Otto. Ik kom lekker bij het raam te liggen en pak mijn weekendtas uit. Tegenover mij aan de raamzijde ligt Trea. Zij is ongeveer van mijn leeftijd en belandde op de longafdeling nadat ze heftige astma aanvallen had gehad. Trea is goedlachs en vriendelijk. Zij informeert naar mijn aandoening en toont daarbij empathie. "Wie wil hier nou zijn, niemand toch?" Soms heb ik gewoon behoefte aan een tegeltjeswijsheid en ik voel dat ik daarvoor bij Trea terecht kan.

Diagonaal vanuit mijn bed gezien ligt een Surinaams-Hindoestaanse man. Hij is klein van stuk, draagt een dun blauw trainingsjack en kijkt wat verbaasd voor zich uit. Ik loop ook naar hem toe: "laat ik me even voorstellen. Ik ben José".

"Goedemiddag!"

"Ook goedemiddag", zeg ik en herhaal nog een keer mijn naam. "Goedemiddag" herhaalt hij.
Ik word door verpleegsters, bloedprikkers, en ander medisch personeel bezocht in mijn hoekje bij het raam, word uitgebreid gemeten en gewogen totdat ik een paar uur later met weekendverlof word gestuurd. Ik neem afscheid van Trea en de inmiddels flink kuchende en rochelende Otto en waag nog één poging bij mijn diagonale kamergenoot die inmiddels in een andere vreemde bocht op zijn bed ligt. Ik steek mijn hand uit en noem mijn naam.
"Goedemiddag!", klinkt het opnieuw.

Zondagavond keer ik terug in het ziekenhuis. De timing is goed want tegelijk stapt een bloedprikker de vierpersoonskamer binnen. Er wordt niets aan het toeval overgelaten in de aanloop naar de ingreep die ik zal ondergaan. Ik begroet Otto die zich helaas niet zo goed voelt en maak een hartelijk praatje met Trea bij wie de astmamedicatie goed lijkt aan te slaan. De man die wij inmiddels grappend Goedemiddag noemen is in geen velden of wegen te bekennen.

Ik neem afscheid van mijn vriendin en onze zoon die mij geluk en succes wensen. Even later lig ik op bed, lees wat en kijk een beetje televisie. Na een poosje kijk ik op en zie op het bed schuin tegenover mij de kleine Goedemiddag liggen. Hij kijkt opnieuw wezenloos voor zich uit. Ik probeer niet eens meer contact te maken. Het is wel goed zo.

Maandagochtend word ik veel vroeger wakker gemaakt dan mijn kamergenoten. Een fluisterende verpleegster helpt mij in mijn operatiehemd en geeft mij een stevig kalmeringsmiddel. Ik ben nerveus voor wat gaat komen en ben blij met dit roesmiddeltje.
Ik moet van de verpleegster nog naar het toilet zodat straks de blaas goed leeg is. Op kousenvoeten sluip ik naar de WC en bemerk tot mijn verbazing dat de kleine Surinaamse man op de rand van zijn bed zit en iets met zijn phone doet. Als ik weer van het toilet terugloop naar mijn bed schreeuwt hij keihard:

"GOEDEMORGEN!"

Ruim vier uur later word ik wakker op de Intensive Care en krijg ik te horen dat succesvol een tumor ter grootte van een golfballetje uit mijn long is gehaald.

Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

José Cutileiro (Lissabon, 1959 - Groningen, 2020). Inktkoelie. Speelde sinds 1980 in vele bands die het net niet gemaakt hebben. Ambieerde als schrijver dat ‘net niet’ te laten vallen. Mede-initiatiefnemer van Dwarsstraat.