1. Nader tot Reve
    (29 februari 2020)
Nader tot Reve
leestijd: 8 min

In het jaar onzes Heeren 1990 besloot ik Gerard Reve in de zomervakantie op te zoeken in het gehucht Le Poët-Laval in Zuid-Frankrijk. Ik was toen al zeven jaar fan van zijn werk. Maar waarom, zullen mensen zich afvragen, moest jij zo nodig Gerard Reve lastigvallen? Laat die man toch met rust! Hij ging niet voor niks naar Zuid-Frankrijk! Ik zal in het navolgende stuk proberen duidelijk te maken waarom ik Reve toch meende op te mogen zoeken.

In 1983 (ik had toen nog niets van De Grote Volksschrijver gelezen) had mijn Grote Broer net Reves onvolprezen prachtboek Lieve jongens uitgelezen. Hij stelde het mij daarna ter hand onder het uitspreken van de gedenkwaardige woorden: 'Het gaat over flikkers, maar het is prachtig.' Waarbij ik aanteken dat mijn broer (net als ik) niet van de herenliefde is, vandaar die 'maar'.

Daarna las ik zo ongeveer het hele oeuvre van Reve, hoewel ik op een gegeven moment wel genoeg kreeg van wéér een brievenboek. Ik was - en ben - een fan, maar niet een die klakkeloos elke door de Meester beschreven snipper papier devoot, als een ouwel, naar binnen werkt.

In 1986 had ik het stoute plan opgevat Gerard Reve eigen werk ter beoordeling op te sturen. 'Ging het om een prijsvraag?' kreeg ik eens als reactie op dit idee te horen. Nee, daar ging het niet om, maar iets fluisterde mij in dat te doen. Ik zou het overigens niet in mijn hoofd gehaald hebben met eigen werk aan te kloppen bij Willem Frederik Hermans of Harry Mulisch, de andere Twee van 'De Grote Drie', maar bij Gerard Reve deed ik dat dus wél. En met succes.

Ik stuurde begin 1986 een envelop met eigen werk naar het adres waar Gerard Reve destijds resideerde. Op 5 februari kreeg ik al antwoord. In één oogopslag zag ik dat deze brief afkomstig was van De Meester zelf: zijn handschrift herkende ik uit duizenden en de gebezigde stijl kon maar van één hand afkomstig zijn. Het feit dat het epistel met een kroontjespen en ijzergalnoteninkt was geschreven vormde 'ondersteunend bewijs'.

Het waardevolle aan deze brief was voor mij dat Reve echt inging op het werk dat ik hem toegestuurd had. Zo noemde hij in de eerste regels de twee titels van de prozagedichten die ik hem had doen toekomen. De brief was dus geen sjabloon dat hij al klaar had liggen voor elke jonge schrijver die hem werk ter beoordeling opstuurde.

Hij noemde mijn prozagedichten weliswaar 'schetsjes', maar hij vond ze 'een stuk beter dan de malle en gezochte overpeinzingen die men tegenwoordig in dagbladen aantreft. Het door u gezegde blijft de lezer bij en roept een beeld op. Nu, dat is tegenwoordig al heel wat.' Ik was zeer tevreden met die kritiek.

Er lag zelfs nog een tweede brief van de auteur van klassiekers als Op weg naar het einde en Nader tot u voor mij in het verschiet. Op 19 maart 1987 kwam Reve, ter gelegenheid van het verschijnen van zijn Verzamelde Gedichten, voor een signeersessie naar een boekhandel in Groningen. Het zal ondertussen niemand verbazen dat ik daar ook bij aanwezig was. Ook ditmaal had ik een envelop met (proza)gedichten mee en toen ik aan de beurt was om mijn exemplaar van Reves Verzamelde Gedichten te laten signeren, nam ik de gelegenheid te baat Reve nogmaals eigen werk ter beoordeling aan te bieden.

'Ik weet niet of ik oordeelkundig ben', antwoordde Reve, al dan niet gespeeld aarzelend. Ik haastte mij te zeggen dat ik veel waarde hechtte aan zijn oordeel. Hij nam de envelop aan en toen was mijn tijd ook op, zoals de eigenaresse van de boekhandel mij duidelijk maakte: achter mij stond een lange rij wachtenden die eveneens graag een handtekening van de auteur in hun pas aangeschafte boekwerk wilden hebben.

Goed, dit was de opmaat tot mijn snode plan om Reve op te zoeken in zijn huis in Zuid-Frankrijk waar hij nu juist heen gegaan was om al te opdringerige bewonderaars en pottenkijkers te ontlopen. Uit diverse interviews was me namelijk duidelijk geworden dat Reve geen prijs stelde op ongewenst bezoek. Oftewel: hem gaan opzoeken in Le Poët-Laval leek een heikele, ja heilloze onderneming. En toch deed ik het.

Als een soort vrijgeleidedocumenten had ik kopieën van de brieven meegenomen. Door deze papieren, meende ik, onderscheidde ik mij van de doorsneereviaan. Ze zouden me uit de problemen helpen als ik zou worden 'aangehouden'.

Gekleed in luchtig tenue (we schrijven hartje zomer) begaf ik mij naar huize 'La Grâce'. Toen ik aankwam bij de woning van Reve en Joop Schafthuizen, zijn levensgezel van dat moment, hing er een door Reve geschreven briefje aan de deurpost: 'Zijn even wijn drinken bij ...' (ik ben vergeten bij wie en het doet er ook niet toe). Als echte reviaan had ik dat kattebelletje natuurlijk meteen van de deurpost moeten rukken, maar die daad hadden de bewoners - terecht - als brutaal en inbreuk op hun privacy kunnen zien.

Ik maakte een rondje door het dorp, streek neer op een terrasje en wachtte af. Na een tijdje ging ik weer naar La Grâce en dit keer waren de heren des huizes wél thuis. Toen ik richting de deuropening liep, kwam Joop Schafthuizen aka Matroos Vosch direct met afwerende gebaren op mij af. Ik had in de maanden voorafgaand aan mijn bezoek in een tv-programma gezien hoe hij twee journalisten de huid vol had gescholden (de reden daarvoor is me ontschoten). Die twee heren waren onder Schafthuizens striemende woorden als geslagen honden in elkaar gekrompen en hadden geen woord tegen zijn tirade in durven brengen. Ik had dat toen een beschamend tafereel gevonden en ik had mezelf plechtig voorgenomen mij niet zo te laten behandelen.

Maar ik hield wel even de adem in: zou Schafhuizen mij onder een scheldkanonnade de deur wijzen? Ik zorgde ervoor dat ik keurig vlak voor de drempel bleef staan. Zo kon Schafthuizen 'mij niks maken'.

'Nee, nee, meneer Reve ontvangt geen onaangekondigd bezoek,' wilde Reves beschermengel mij meteen afpoeieren. 'Dat weet ik,' antwoordde ik rustig. Het onderwerp van gesprek zat trouwens - en dit verleende het tafereeltje iets surrealistisch - wat scheefgezakt op een stoel met zijn rug naar de ingang en leek het gezegde onbewogen te volgen. Hij mengde zich in elk geval niet in het gesprek. Ik zei: 'Ik weet dat de heer Reve niet zomaar mensen in zijn huis toelaat, maar ik wilde hem graag bedanken voor de brieven die hij mij een paar jaar geleden gestuurd heeft.'

Als door een wesp gestoken stond Reve op en, onder het uitspreken van de woorden 'O, maar dat mag altijd!' draaide hij zich naar mij toe en kwam energiek op mij af om mij de hand te schudden.

Kunt u zich nog herinneren dat u mij deze brieven gestuurd heeft?' vroeg ik De Grote Volksschrijver. Maar nee, dat was teveel gevraagd: 'Er valt toch niets meer te bespreken' mompelend, schudde hij somber zijn hoofd. Nadat ik Reve bedankt had, overhandigde ik hem de kopieën van de brieven die hij mij gestuurd had ('Voor het archief') en na een afscheidsgroet keerde ik La Grâce de rug toe.

Al met al had mijn ontmoeting misschien een paar minuten geduurd, maar het was voor mij toch de reis waard geweest (voor de goede orde: ik stond op een camping in de buurt en had niet de hele reis vanuit Nederland alleen hiervoor gemaakt). Ik had mijn literaire held persoonlijk kunnen bedanken en - iets waar ik bijna nog tevredener over was - ik had mij niet laten afpoeieren door zijn levensgezel die door veel mensen als intimiderend werd ervaren.

Toen ik het gehucht uitreed, zag ik Schafthuizen en Reve aan de kant van de weg lopen en de motoriek van Reve op dat moment is me bijgebleven: hij liet zijn armen slap langs zijn lichaam hangen waardoor ze langer en nogal slungelig leken en hijzelf oogde als een bejaarde mensaap. Zou ik toeteren? Nee, dat was ongepast. Het zou de heren maar verschrikt of ontstemd hebben. Mijn bescheiden missie - Reve ontmoeten, hem bedanken en hem de kopieën van zijn brieven overhandigen - was geslaagd. Daar moest ik het bij laten.

Jaren later zou ik Nop Maas eveneens kopieën geven van de twee brieven die ik van Gerard Reve heb mogen ontvangen. Daardoor heb ik het geschopt tot enkele regels en een paar noten in deel 3 van Maas' drieluik Gerard Reve. De kroniek van een schuldig leven. En dan kan men niet anders concluderen, dames en heren, dan dat ik niet geheel voor niets heb geleefd. Moge Gods zegen rusten op u allen!

Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

André Degen (Leek, 1963) schrijft proza en poëzie. Hoewel hij Gerard Reves ‘Echt gebeurd is geen excuus’ onderschrijft, tekent hij aan dat Nader tot Reve echt zo gebeurd is!