1. I got sunshine
    (23 januari 2021)
  2. Goodbye, cruel world. I'm off to join the circus
    (19 december 2020)
  3. Flappie in Albanië
    (14 november 2020)
  4. José
    (27 juni 2020)
  5. Zaterdagavond
    (25 april 2020)
  6. The Man in Black in Heerenveen
    (22 februari 2020)
I got sunshine
leestijd: 5 min

Op zoek naar een groots en meeslepend leven hadden we besloten straatartiest te worden. Niet in onze eigen stad, maar zo ver mogelijk van huis. Met het busje van Paul. Een grijze Ford Bedford. Bill en ik hadden een fiets. Dat wil zeggen: Bill had een fiets en ik mocht wel eens achterop.

Zowel Paul als ik waren beginnend drummer. Ik was beter, maar Paul was met het plan gekomen dus hij zou drummen, Bill was er voor de zang en de performance en voor mij werd een soort glockenspiel van steigerbuizen gefabriceerd. We spreken begin jaren tachtig. Kraak, metaal en zwart waren de smaken.

Zodra de uitkering binnen was verzilverden we onze kascheques en met een startkapitaal van tweehonderd gulden de man vertrokken we naar het zuiden. Paul reed. Bill had geen rijbewijs, ik geen ervaring en tenslotte was het Pauls busje. Dat had als bijkomend voordeel dat Bill en ik ons in geval van pech ook niet verantwoordelijk voelden voor de reparatie. Vloekend verdween Paul met zijn hoofd onder de motorkap terwijl wij een stuk worst in een stokbrood propten en ons neervlijden in het gras.

Bill draaide de hele dag een cassettebandje van Joy Division. De zanger van die band had zich verhangen. Ik vermoedde hardop dat de man tot zijn treurige daad was gekomen na het beluisteren van zijn eigen platen. Dit tot verontwaardiging van Bill die mij grote oppervlakkigheid verweet.

Volgens Paul waren de storingen in het elektrische systeem, waardoor we de eerste dag nog niet voorbij Utrecht waren, te wijten aan het veelvuldig heen en weer spoelen van de cassette. Hij zette ons op een rantsoen van één nummer per dag en na rijp beraad kwamen we overeen dat dat 'My Girl' van Otis Redding moest zijn. Dat vonden we namelijk alle drie prachtig.

De reis leidde naar België waar we verbazingwekkend veel succes hadden. Gesterkt door die ontvangst togen we naar Frankrijk. Daar was men minder gecharmeerd van onze anarchopunkmetaalimprovisaties en duurde het meestal niet lang voordat de plaatselijke gendarmerie ons sommeerde met spoed naar elders te verdwijnen. Ons einddoel was het theaterfestival van Avignon waar ze onze kunst zeker zouden waarderen. Met de snelheid waarmee we ons voortbewogen zouden we dat doel echter nooit op tijd halen, zodat we halverwege Frankrijk besloten linksaf te slaan richting Zwitserland.

Ook daar zat er meestal weinig tijd tussen opbouwen en afbreken. Vaak was de politie al ter plaatse voordat ik ook maar één hengst op mijn metal-glockenspiel had gegeven en werden we dringend verzocht het elders te proberen. In die dagen was de politie niet je beste vriend. Zeker niet in landen als België, Frankrijk en Duitsland waar een Nederlands kenteken, een punky uiterlijk en een gammele bus konden leiden tot papierencontrole, busdoorzoeking of erger.

De firma McDonald's had zojuist voet aan wal gezet in Europa en overal waar we de gele M ontwaarden werd het moeizaam bijeengesprokkelde kleingeld geteld en omgezet in hamburgers en milkshakes. De formicatafeltjes, de plastic asbakjes en het in malle pakjes gestoken personeel hadden iets cools Amerikaans. Het deed denken aan James Dean, Elvis en technicolor-films. Dat het niet te vreten was namen we op de koop toe.

Na een moeizame tocht door de Franse Alpen reden we de ansichtkaart-die-Genève-heet binnen. Alle campings waren vol of hadden geen trek in drie onwelriekende armoedzaaiers. Het was vrijdagavond en op zoek naar een geschikte plek om te kamperen kwamen we langs een verlaten parkeerterrein bij een groot gebouw. Het leek een ambassade of een ministerie, in elk geval iets dat in het weekend waarschijnlijk niet geopend zou zijn. We zetten de tent midden op een enorm grasveld dat naast het parkeerterrein lag en vielen in een diepe slaap.

De volgende morgen werden we gewekt door stemmen en een geluid dat we niet konden plaatsen: Pok, pok, pok. Toen we de rits van de tent geopend hadden bleek het grasveld niet meer zo verlaten. Het geluid bleek afkomstig van golfballen die door heren in geruite broeken en petten op over de baan gejaagd werden. We stonden op de duurste golfbaan van Zwitserland. Het gisteren nog zo lege parkeerterrein was inmiddels helemaal gevuld met Porsches, Jaguars, Ferrari's en hier en daar zelfs een Rolls Royce. En Paul's Bedford natuurlijk. Niemand keek naar ons om en we besloten om in de ambassade, die gewoon het clubgebouw bleek te zijn, sigaretten te gaan halen. Op de een of andere manier omzeilden we daarbij de security die constant rondjes om het gebouw liep. De consternatie was groot toen er ineens drie ongeschoren punkies aan de bar stonden, op zoek naar rokerij. De paniek in de ogen van die mensen. Dat er zomaar ongewenst volk hun wereldje binnen kon lopen.

De falende security rende na een paar minuten binnen en ons werd beleefd doch dringend verzocht onmiddellijk het terrein te verlaten. Bill probeerde eerst nog een pakje sigaretten los te peuteren maar dat bleek niet meer te kunnen. Voordat we bij onze tent aangekomen waren scheurden de eerste politiewagens het terrein al op. Na doorzoeking van onze tent, tevergeefs, de blowerij was allang op, werden we gesommeerd uit Genève te vertrekken. Om te voorkomen dat we toch nog zouden blijven rondhangen bracht men ons in colonne naar de gemeentegrens.

's Avonds zochten we een mooie bergtop op en bij de ondergaande zon luisterden drie jongens in een ouwe Bedford met glinsterende ogen naar: 'I got sunshine, on a cloudy day.' 'My girl, talking 'bout my girl.'

Vijfendertig jaar later krijg ik een dochtertje. We noemen haar Otis.

Goodbye, cruel world. I'm off to join the circus
leestijd: 6 min

Negentientachtig. Ik was gestopt met de studie waar ik nooit echt mee begonnen was. Drie levensdoelen had ik inmiddels bereikt: Ik woonde in Stad, was eindelijk geen maagd meer en ik speelde in een band. Af en toe had ik een baantje. Bij de Enka, Aagrunol of als putjesschepper bij de Gemeentereiniging. Eten deed ik uit de koelkast van vriendinnetjes.

Paul belde. Hij werkte bij een circus. Piste. Ze hadden mensen nodig. Dat klonk romantisch. Maar dat viel tegen. 's Morgens om zes uur tent opbouwen. Een grote driemaster. Ontbijten met zwarte koffie en zware Van Nelle. Daarna matinee, avondvoorstelling en als het tegen zat knokken met de plaatselijke brommerjeugd. Maar we waren jong en konden het geld goed gebruiken.

Er werkten rare figuren. Voorman was een klont van een vent. Ik kende zijn bejaarde vader wel. Die woonde bij mij in de straat en verkocht gestolen autoradio's. Vrouw Voorman deed de kassa van het circus en de slangenact. Zij was al lang blij dat ze niet meer achter het raam in de Nieuwstad zat. Ze hadden drie kinderen. Die gingen niet naar school. Even was er Jozef, een gedeserteerde Poolse matroos. Het was de eerste Oostblokker die ik ontmoette. Toen de Muur nog stond zag je ze niet veel. Na een paar dagen sjouwen en geen geld vluchtte hij weer verder. Verder had je Hans, een mooie wat mysterieuze jongen die meestal op zijn nest lag. Afkicken van de heroïne, wist Paul. Zo had iedereen daar zo zijn redenen om onder te duiken in de circuswereld. Als je zonder gezeur je werk deed werden er geen vervelende vragen gesteld.

Waarom Paul zijn plek in de bontbeschilderde personeelscaravan aan mij had afgestaan voor een matrasje in de veewagen van de kameel werd duidelijk toen het licht uitging en de clown, waarmee ik de caravan deelde, zich op zijn nachtelijke hobby stortte. Ik was nooit in dienst geweest en vond masturberen iets dat je in je eentje deed. De clown vond dat niet. Als de wekker ging trok hij zijn enorme schoenen aan, zette een een rode fopneus op en stapte dapper de modder in.

Het geld dat wij verdienden maar steeds niet kregen ging vooral naar Billy Williams, de western-act. Billy kwam uit België en was een legende in de circuswereld. Hij had overal en met iedereen gewerkt. Inmiddels was hij ver over de zeventig, al zou je dat niet zeggen. Hij droeg een enorme hoed op zijn pikzwart geverfde haren, Daaronder een zilverpaars cowboykostuum. Billy verdiende goed. Daarvoor deed hij tweemaal daags zijn act. Als hij niet meteen na de voorstelling werd uitbetaald startte hij zijn truck en reed langzaam het terrein af tot de directeur met een hand vol bankbiljetten achter hem aan kwam rennen. Verder lag hij de hele dag met zijn bevallige assistente in de trailer. Billy duldde geen concurrentie. De assistente mocht met niemand praten en kwam pas tevoorschijn als het showtime was.

'Allez! Vous!' zei Billy en wees op mij. Hij ging zijn act oefenen en ik was aan de beurt. Hij zette me voor een houten bord waarna hij van een flinke afstand met enorme messen een aantal ballonnen kapotgooide. De messen boorden zich op een paar centimeter van mijn hoofd in het hout en bleven daar trillend staan. Daarna pakte hij een buks en een spiegeltje, draaide zich om en schoot over zijn schouder de rest van de ballonnen lek. Je laat je niet kennen, hè?

Het ging niet zo goed met het circus. We toerden door de kop van Noord-Holland. Plaatsen als Jisp, Den Ilp, Driehuizen. Soms zaten er nog geen dertig mensen in de enorme tent. Het gebodene was, op Billy na, dan ook van een bedenkelijk niveau. De rukkende clown was echt niet grappig, de koorddanseres viel regelmatig van de draad en de kameel deed niet veel meer dan knielen waarna de lama over hem heen sprong. De drummer - Paul - moest dan een flinke roffel geven, gevolgd door een klap op het gescheurde bekken. Aangezien hij een vrij beroerde slagwerker was herkende het publiek dat niet als een oproep tot applaus en bleef het angstig stil.

Ik startte een cassettebandje in. De Bolero klonk uit de krakkemikkige installatie waarop de kassajuffrouw in een zilveren jurkje op erotische wijze met een enorme slang door de piste danste. Het was winter. Koudbloedigen bewegen dan niet veel maar hij at ook niks en begon raar te ruiken. Bij nadere inspectie bleek het beest in staat van ontbinding te verkeren. Voorman gooide, zonder gebed, de boa constrictor in een sloot achter de tent en het circus trok weer verder.

Een paar dagen later kwam de hele ganzenact om het leven bij een verkeersongeval. Iemand had hun hok open laten staan en ze hadden hun kans gegrepen om te ontsnappen aan het, zelfs voor ganzen, onmenselijke werkklimaat. Niet gehinderd door enige kennis van de verkeersregels stiefelden ze de straat op en werden prompt overreden door de plaatselijke SRV-wagen.

De aap werd uit het programma geschrapt nadat hij een kind had gebeten. De ouders waren afgekocht met suikerspinnen en vrijkaartjes voor het hele gezin maar het was duidelijk dat Cheeta niet meer te vertrouwen was. Hij woonde in een kooi in de vrachtwagen waar ook het chemisch toilet zich bevond. Als ik 's morgens na de eerste koffie plaatsnam op het plastic toiletje keek ik recht in het gezicht van de doodongelukkige aap.

De impressario, een nog onbekende Joop van den Ende, was een circus begonnen met zijn kersverse televisiesterren Bassie en Adriaan. En nu wilde hij van ons af. Iedereen kwaad. Er werd besloten hem een bezoek brengen in zijn hoofdkantoor te Aalsmeer. Iedereen mee. 'Dhr. van den Ende is helaas niet aanwezig', zei de baliejuffrouw. 'O ja, en wie is dat dan?', zei Voorman en wees op een lange, kalende man die net de trap afkwam. Joop nam geen risico, klom weer naar boven en verdween schielijk achter een deur. Voorman wilde erachteraan maar werd getackeld door de security en klapte dreunend op de nepmarmeren vloer. Na een korte schermutseling stonden we weer buiten.

's Avonds werd besloten in te breken bij Bassie & Adriaan. Ook weer met z'n allen. Een vriend van Voorman werkte daar en had een schurfthekel aan zijn bazen. Vooral aan Bassie die zijn pruik met lijm op zijn hoofd had bevestigd om te voorkomen dat het ding af zou vallen. Nu, halverwege het seizoen stonk hij inmiddels harder dan de kameel. Voorman's vriend zou een hek voor ons open laten staan zodat we ongemerkt binnen konden sluipen. Dat zou die Van den Ende leren. De buit bestond uit een accu, wat gereedschap en de rode neus van Bassie.

Inmiddels was de lol er voor mij wat af. De betaling bleef uit, het werd voorjaar en ik vond het tijd voor Groningen.

Goodbye, cruel circus. I'm off to join the world.

Flappie in Albanië
leestijd: 6 min

Hij stond al acht jaar in het hoekje van de schuur bij mijn oude vriend Barend, die vergeefs zijn motorrijbewijs had proberen te halen maar wel alvast een motor had gekocht. Lekke banden, accu leeg. 'Als je hem aan de praat krijgt mag je 'm hebben', sprak hij. Dat duurde even maar het lukte.

De richtingaanwijzers hingen wat treurig naar beneden, hetgeen hem bij Garage Brons de bijnaam Flappie opleverde. Mooi was de Honda niet, maar er zat een enorm blok onder waar mee je met gemak tweemaal de toegestane maximum snelheid kon halen.

Ik reed en Lotte wees de weg. Een goede taakverdeling, want ik had een rijbewijs en zij een bijzonder goed ontwikkeld richtinggevoel. Toen we die eerste zomer een eindje gingen rijden kwamen we een maand later pas weer thuis en waren we in tien landen geweest.

Het jaar daarop gingen we richting voormalig Joegoslavië. De motor had één euvel: Je kon maar honderdvijftig kilometer rijden op een volle tank. Er zaten geen brandstofmeter en reservetank op. Meestal haalden we het net maar vanaf 110 kilometer begon ik al licht te zweten en steeds minder hard te rijden om brandstof te sparen totdat we de tank weer vol hadden. In Slovenië begon hij al te sputteren na 130 kilometer en in Kroatië stonden we voor het eerst zonder benzine. Van een vriendelijk Duits stel op BMW's kregen we genoeg om de volgende pomp te halen.

In Bosnië strandden we opnieuw en werden we door twee jongens naar een station gebracht om een jerrycan te halen. Vervolgens brachten ze ons ook nog terug. We hadden elkaar niet verstaan maar wel begrepen.

De rook uit de uitlaat werd steeds zwarter en in Sarajevo aangekomen besloten we de Wegenwacht te bellen. Die stuurde iemand langs die bromde dat hij van de auto's was en geen verstand van motoren had. Dat de WK-finale die middag was zal ook hebben meegespeeld. Via AirBnB hadden we een mooi huis gehuurd, maar de kapotte motor verpestte de sfeer.

De volgende morgen reden we naar een garage vlakbij. Daar konden ze ons ook niet helpen maar ze verwezen ons naar Atilla, die boven op de heuvel woonde en veel verstand van motoren scheen te hebben. Met veel moeite en flinke zwarte walmen bereikten we de top van de heuvel. Bijna, want de laatste honderd meter moesten we duwen. Het laatste huis moest het zijn, want uit het naastgelegen schuurtje kwam motorgeronk en keiharde rockmuziek.

Atilla zag eruit als alle bad boy bikers over de hele wereld: lang haar in een paardenstaart, spijkerjack met afgeknipte mouwen, een flinke snor en tatoeages op de armen. Hij hoorde ons verhaal aan, schoof de deuren open en heette ons welkom. Hij startte de motor waardoor binnen de kortste keren de hele ruimte met zwarte rook gevuld werd. Zelf rookte hij ook stevig, ook terwijl hij de benzinetank losmaakte en een slangetje lostrok, waardoor de benzine in het rond spoot.

Het schuurtje bleek een soort clubhuis te zijn voor de motorvrienden van Atilla, allemaal jongens van rond de veertig. Eentje had in Nederland gewerkt en tolkte een beetje. Die dag was het 19 jaar geleden dat Srebrenica was gevallen en onwillekeurig vroeg ik me af wat deze jongens in die tijd gedaan hadden. Dat ze niet bij de padvinderij hadden gezeten, leek me duidelijk.

Terwijl Lotte met de bikers in het schuurtje achterbleef reed ik bij Atilla achterop de hele stad door op zoek naar onderdelen. Na twee dagen sleutelen en vooral vol gas uitproberen was de motor gerepareerd. De rekening bedroeg 70 euro. Inclusief onderdelen.

Bij het hartelijke afscheid kreeg ik een soort visitekaartje van de motorclub. Mochten we weer panne hebben hoefde ik maar met het kaartje te zwaaien en elke motorclub in Oost-Europa zou ons weer op weg helpen.

Podgorica, de hoofdstad van Montenegro, bleek de lelijkste stad ter wereld. In het hotel zagen we 's morgens op tv een reportage over Albanië. De politie was een dorp binnengevallen waarvan de hele bevolking in de wietkweek werkzaam was. Naast duizenden kilo's wiet vonden ze een paar oude vrouwtjes en wat kinderen. De rest was de bergen ingevlucht.

Zou je Albanië in kunnen, vroegen we ons af? Het land was immers jarenlang van de rest van de wereld afgesloten geweest. Het bleek te kunnen. De conciërge van het hotel drukte ons wel op het hart in elke zak wat kleine coupures te steken zodat we bij politiecontroles niet gelijk al ons geld kwijt zouden zijn. Briefjes van vijf waren volgens hem voldoende om de gemiddelde Albanese veldwachter om te kopen. We bedankten hem en gaven vijf euro fooi.

We kwamen zonder problemen binnen. Bij de grens stond op een bord dat het in de gehele republiek Albanië verboden was harder te rijden dan zeventig. We lachten daarom, maar al snel bleek het levensgevaarlijk te zijn harder dan vijftig te gaan. De weg hield soms zonder waarschuwing op om over te gaan in een zandpad en bruggen lagen soms wel dertig centimeter hoger of lager dan het wegdek. Ook was het raadzaam het overige verkeer goed in de gaten te houden. Dat bestond uit enorme geblindeerde Mercedessen enerzijds en zwaarbeladen fietsen, brommers en ezels anderzijds. Waar de maffia en de middeleeuwen elkaar ontmoeten op een smalle betonstrook zijn grote ongelukken nooit ver weg.

Van de politie hadden we overigens geen enkele last. De briefjes van vijf bleken niet nodig. Ook tanken bleek geen probleem. Op Nederland na is geen Europees land zo bezaaid met benzinepompen. Geen idee waarom. De prijzen waren helaas ook bijna Nederlands.

Nadat ons de toegang tot Macedonië geweigerd was (I'm sorry Berend, but we can't let you in) besloten we naar beneden af te zakken. Griekenland stond er in die dagen niet best op. Volgens onze politici waren het luie potverteerders die veel te vroeg met pensioen gingen. Vlak over de grens begon de motor weer te sputteren. Om de kilometer stond een bord: Gevaar! Beren op de weg!

Aan het eind van de middag arriveerden we in Kastoria, een stadje aan een meer vol pelikanen. Het plaatsje had duidelijk betere tijden gekend. Men bleek van de export van bontjassen te leven. Vooral rijke Russen kwamen er voor een warme berenbontjas en verknapten tijdens hun verblijf duizenden roebels aan gokken, eten en over het meer scheuren in dure speedboten. Helaas had de EU een boycot ingesteld tegen Rusland waardoor het levendige stadje in één pennenstreek beroofd was van bijna al haar inkomsten.

Ik meende te weten wat er aan de motor mankeerde en had om dat te verhelpen een bepaalde sleutel nodig. We stopten bij een soort ijzerwarenzaak en ik probeerde middels een tekening de drie oude mannen die de winkel uitbaatten duidelijk te maken wat ik zocht. Dat bleken ze niet te hebben. Geen probleem. De oudste kwam voorrijden op een aftandse brommer en gebaarde dat ik achterop moest plaatsnemen. Weer liet ik Lotte achter in het gezelschap van wildvreemde mannen.

Op het brommertje doorkruisten we het oude stadje tot we bij een motorzaak kwamen. De eigenaar hoorde mijn verhaal aan en zei dat we de volgende dag terug moesten komen. 's Avonds dronken we cocktails in een enorm luxe maar volkomen verlaten discotheek aan het water.

De monteur was al ruim een uur bezig om de oorzaak van de ellende op te sporen totdat hij plotseling vroeg waar ik het laatst getankt had. 'Albania', antwoordde ik. Luid lachend borg hij zijn gereedschap weg. Ondanks de forse prijzen schijnt de benzine in Albanië van een hoogst beroerde kwaliteit te zijn. Bij elke tankbeurt moet je ook een klein flesje wonderspul toevoegen waardoor de motor schoonbrandt. Zo'n flesje kreeg ik gratis en ook voor de tijd hoefde hij niks. 'Maar', zei ik. 'Time is toch money?' Met een brede grijns antwoordde hij: 'Not in Greece, my friend'.

José
leestijd: 6 min

Deze week overleed onze vriend, Dwarsstraat-oprichter, redacteur en corrector José Cutileiro. Waarschijnlijk was je dat niet ontgaan want, pr-man als hij was, heeft hij zelf uitgebreid verslag van zijn ziekte en sterfbed gedaan. José was erg trots op Dwarsstraat en heeft er alles aan gedaan om er, ondanks zijn malaise, een succes van te maken. In zijn wilsbeschikking heeft hij aangegeven dat hij graag wil dat de site blijft bestaan. Hij heeft er zelfs geld voor nagelaten. Dus: lezers blijf lezen en schrijvers blijf schrijven.

Bert Hadders, Ton Ensing en Marc Knip

---

Jose.jpg

© Sieto Kiewiet


We waren vrienden. Sinds 1980. Ik was pas de Veenkolonies ontvlucht en leerde hem kennen via een studiegenoot. José was een paar jaar ouder, had filosofie gestudeerd en woonde in een kamer in de Tuinstraat. Over de merkwaardige bewoners van dat huis valt een boek te schrijven, maar laat ik me beperken tot José. In zijn niet al te ruime kamer stonden twee fauteuils, een hoogslaper en een keukenblokje. De vloer lag bezaaid met kranten, zodat er niks meer zichtbaar was van een eventuele vloerbedekking. In de hoek stond een enorme stapel lege pizzadozen en in de gang een lange rij lege beugelflessen. Orde in de chaos.

Het beviel me in die kamer. Er werd gepraat, gedronken, geblowd en naar muziek geluisterd. José was muzikaal niet eenkennig en we draaiden ouwe soul, XTC, the Db's, Velvet Underground, Pere Ubu, country en The Beatles. Hoewel onze smaken overlapten, brak er steevast een verhitte discussie uit als de plaat was afgelopen. Wat voor mij het hoogtepunt van een elpee was, vond hij helemaal niks en zijn favoriet was meestal het nummer dat mij het minste aansprak.

Ik kan me trouwens niet herinneren dat we in al die jaren ooit ruzie hebben gehad over dingen als politiek, religie of andere bijzaken.

Hij leerde mij analytisch luisteren. Wees me op intro's, akkoordenovergangen en harmonieën en liet me zien hoeveel akkoorden er waren die je met één vinger kunt spelen. Zelf schreef hij ook fantastische popsongs. Ik was er zo van onder de indruk dat ik, toen ik eenmaal zelf een band had, drie nummers van hem op het repertoire nam.

Een tijdje probeerde hij het als solo-artiest onder de naam Slow Joe. Hoewel hij in het dagelijks leven niet betrapt kon worden op veel uiterlijk vertoon - hij droeg jarenlang dezelfde wollen trui - stapte hij als artiest nooit zomaar het podium op. Als Slow Joe verscheen hij op de bühne met een blauwe denim-pet met een klep van wel veertig centimeter op zijn hoofd. In die klep zat, heel handig, een vakje met een rits waarin je je geld, plektra en andere dingen van waarde kon bewaren. Die petten werden gefabriceerd door een stamgast van De Smederij, een kroeg verderop in de straat, waar we vaak zaten.

Daar onstond uit een sessie ook zijn volgende muzikale project: de zwaar ondergewaardeerde cajunband Cochon Bleu. Zestien jaar lang speelde José daarin de bas. Na honderden optredens in binnen- en buitenland en een aantal met lof overladen platen verliet hij de band. Wat er precies mis ging weet ik eigenlijk niet. Dat ik vervolgens de overgebleven leden in mijn eigen band inlijfde zal hem niet lekker gezeten hebben. Toch heeft hij me dat nooit voor de voeten geworpen.

Dat Cochon Bleu nooit echt doorbrak had natuurlijk ook te maken met het feit dat ze in het Frans zongen. En dan ook nog in een onverstaande Louisiana-variant... in Groningen... Eens keek ik met een Franse vriend naar hun optreden. Na vijf nummers vroeg hij in welke taal ze eigenlijk zongen.

Ik reisde een tijdje met ze mee als geluidsman en bezocht ze ook tijdens hun maandlange residentie in een mafia-bar met gouden deurknoppen in Albufeira, Portugal. Het was aan het eind van het seizoen en ondanks dat er de hele dag een vliegtuig met reclamesleep ('Tonight... Cochon Bleu!') boven het dorp vloog waren de bezoekers meestal op een hand te tellen. Dat belette de bareigenaar niet de jongens te dwingen elke avond van 8 tot 2 op te treden. Terug in Groningen speelden ze als duivels.

José was het kind van Portugese ouders die gevlucht waren voor het toenmalige fascistische regime in Portugal. Ze scheidden toen José nog jong was. Zijn moeder hertrouwde met een andere Portugees en vestigde zich in Nederland. José sprak met veel liefde over zijn 'stief'-vader. De relatie met zijn biologische vader leek gecompliceerder. Die heette ook José Cutileiro en was ambassadeur in o.a. Angola en Brussel. In de jaren negentig was hij betrokken bij de vredesonderhandelingen in voormalig Joegoslavië en als zodanig regelmatig te zien op de voorpagina's van kranten en op het Journaal. Soms waren de camera's op de hotelkamerdeur gericht waarachter de onderhandelingen plaatsvonden. Als José zijn vader aan de telefoon had, kwam hij soms naar buiten om het journaille te melden dat er niks te melden was en keek hij even in de camera's. Voor José.

Een tijd lang was José gastheer voor de biologen-borrel in de roemruchte Benzinebar. Hij huurde mij wel eens in als barkeeper. Zelf draaide hij dan de plaatjes. Die biologen konden enorm feestvieren. Hoogtepunt van de avond was het zogenaamde kruksurfen. Op de klanken van de Treble Spankers klom de hele goegemeente op een barkruk, tafel of gewoon op de bar en 'surfde' alsof het leven er vanaf hing. Links en rechts flikkerden er dan biologen uit de lampen. Een tafereel waar José enorm van genoot.

José was vanaf het begin lid van de Songclub en is dat tot het einde toe gebleven. Eigenlijk was hij ook een van de redenen voor de oprichting. Ik had gewoon zin om weer eens zo'n fijne popsong van hem te horen. Zijn enige solo-plaat 'Pupil Of Pop' staat vol oorwurmen. Wie nog een hit wil, heeft ze voor het uitzoeken.

José was niet van de straat en had een IQ van honderdzestig. Bij het arbeidsbureau was hij echter vanwege zijn achternaam in de bak onbemiddelbaar terechtgekomen en zoals zovelen van onze generatie leefde hij in die jaren in afwachting van het einde der tijden van de Bijstand. Later begon hij het tekstschrijfbureau IntroText en schreef voor de Uitloper, diverse theatermagazines en deed de pr voor het Take Root-festival. Bij de laatste editie daarvan stond hij, nadat hij al flink ziek was geweest was, nog te flyeren bij de ingang. Voor het bijwonen van de optredens was hij al te moe.

Een groot geluk voor José is zijn vriendin Anne geweest. Zij schonk hem Aymon en vond een manier om het leven met deze intrigerende, lieve maar niet gemakkelijke man te delen. De laatste maanden waren ze met z'n drieën. Vanwege corona kwam er niemand over de vloer. Dat moet een bijzondere tijd geweest zijn voor zowel Anne en Aymon als José.

Toen ik José leerde kennen was hij 21, een paar jaar ouder dan zijn zoon Aymon nu is. Als je wilt weten hoe José er toen uitzag, hoef je maar naar zijn zoon te kijken. Nu, veertig jaar later is het voor José voorbij. De laatste keer dat ik hem zag was in het ziekenhuis, een dag voor de lockdown. Toen ik het een beetje te kwaad kreeg, zei hij: 'Ach, jij gaat ook gewoon een keer dood, hoor'. Hoewel we nooit erg fysiek geweest waren hadden we nu wel de behoefte om elkaar te omhelzen. Aangezien hij in quarantaine lag en ik net uit New York kwam, hebben we dat maar niet gedaan. Het voelde als een afscheid. De maanden daarna liep ik 's avonds langs zijn huis en zwaaide. Meestal waren de gordijnen dicht.

---

Er valt nog zoveel te vertellen. Er gebeurt veel in veertig jaar en hoe langer ik er over nadenk, hoe meer gezamenlijke geschiedenissen me te binnen schieten. Inmiddels ben ik ruim over de duizend woorden en ik verwacht ieder moment een telefoontje van José. Of het niet wat korter kan?

Zaterdagavond
leestijd: 2 min

Als elke avond loop ik de stad in.
Langs de koffieshop.
Dan op zoek naar een plekje om te roken.

Brommerjeugd hangt rond bij pizzapaleizen en shoarmazaken.
Wachtend op bestellingen uit Vinkhuizen, Lewenborg of de Indische Buurt.
Het is droog vanavond dus hoe verder, hoe beter.

De sfeer is anders.
Meer freaks op straat.
Hoody-boys, zwervers en allenige dronken mannen.

Ik ga op het stoepje van de Drie Uiltjes zitten. Eigendom van mijn vriend Barend die ik het laatst trof in Chinatown.
Ik neem aan dat hij inmiddels thuis is.
Zeker weten doe ik dat niet. We houden niet van bellen.
De kroeg is dicht.
Gezeten op de bovenste tree steek ik op.
Ik inhaleer. En nog twee keer.
Genoeg.

Ik bekijk de schaarse voorbijgangers.
Sommigen groeten. De meesten niet.

Een politieauto stopt.
Het raampje glijdt omlaag.
Twee agenten kijken door de voorruit de Ebbingestraat in.
De bijrijder zegt zonder naar mij te kijken: 'Wat doe je daar?'
Ik zeg: 'Ik wacht tot ze open gaan.'
Het raampje glijdt omhoog en ze rijden verder.

Op de hoek van de Vismarkt zit, op z'n knieen, de grijze straatmuzikant.
Hij zingt een soort zeemanslied.
Ik versta het niet maar het galmt dramatisch door de lege straten.
Zijn pet ligt voor hem.
Vergeefs.
Vanavond gaat het geen geld regenen.

Bernard de Bedelaar is er. Hij is er altijd.
Speciaal voor hem heb ik een briefje van vijf in mijn zak gestoken.
Als hij mij benadert: 'Hey kameraad, heb je al gegeten?', antwoord ik bevestigend.
'Ik niet. Honger, man.', zegt hij en wrijft over zijn maag.
Ik haal het geld uit mijn zak en zie terwijl ik het overhandig dat het twintig euro is.
Ik zie de blik in zijn ogen en kan het niet over mijn hart verkrijgen het terug te trekken en op zoek te gaan naar kleingeld.
'Die kroeg waar jij altijd komt, is die dicht?', vraagt hij en wijst naar een cafe waar ik nog nooit geweest ben.
'Alle kroegen zijn dicht, Bernard.', zeg ik. 'Corona.'
Het maakt hem niks uit. Hij mag al jaren nergens meer naar binnen.
'Eet smakelijk!', zegt hij en sjokt het verlaten Zuiderdiep op.

The Man in Black in Heerenveen
leestijd: 4 min

Had ik al eens verteld dat ik ooit naar een concert van Johnny Cash geweest ben?

Al van jongs af aan ben ik gefascineerd door Die Stem.
Vooral het nummer A Boy Named Sue kon me als kind erg bekoren.
Aan het eind is in de zin "I'm the -------- that named you Sue!" een 'peeeep' van de censor te horen. Mijn oudere broer zei dat dat was omdat Johnny daar een vies woord zong.

Er was een tijd dat ik weinig sprak over mijn liefde voor Johnny Cash.

In kringen van Punk- New Wave of Neue Deutsche Welle-fans werd de Man In Black gezien als een rechtse redneck en diende dientengevolge genegeerd te worden. Toen ik later Hank Williams, Blue-Grass en de countryelpees van Jerry Lee Lewis ontdekte kwam ik automatisch ook weer bij Johnny terecht.

Groot was dan ook de opwinding toen eind jaren tachtig aangekondigd werd dat hij zou optreden in Nederland. Tot drie keer toe werd het concert afgelast. Officieel omdat Johnny aan zijn kaak geopereerd moest worden en daarvan herstellende was maar er werd gefluisterd dat het vooral kwam omdat hij moest afkicken van de pijnstillers.

Nu was Johnny Cash in die jaren nog niet ontdekt door het hippe VPRO-publiek. De come-backplaten met Rick Rubin moesten nog worden opgenomen en wat hij nog aan fans had bestond voornamelijk uit wat we toen Tros Kompas-publiek noemden. Tegenwoordig is dit deel van de bevolking vooral bekend als Henk en Ingrid.

En wij natuurlijk: een Veendamse modinette die niet alleen graag kleren naaide, een nogal wild meisje dat nog jaren lang een gerespecteerde Punk-kroeg in Stad zou runnen, mijn Zuid-Europese vriend wiens dossier ondanks een IQ van 160 vanwege zijn onuitsprekelijke achternaam jarenlang in de bak onbemiddelbaar van het Arbeidsbureau verdween (dit laatste overigens tot volle tevredenheid van zowel mijn vriend als het Arbeidsbureau) en ik.

In die tijd deed ook de House zijn intrede. De muziek kon me gestolen worden maar de bijbehorende drugs interesseerden me in hoge mate. Die nieuwe XTC-pillen wilde ik ook wel eens proberen. Dat kon, maar het kostte wel vijftig euro per stuk. Een fors bedrag maar daarvoor kreeg ik een vuilgrijs exemplaar ter grootte van twee op elkaar gestapelde pepermunten.

Ik had een halfje uitgeprobeerd tijdens een avondje Nederlands elftal kijken bij een vriend thuis. Nederland speelde gelijk tegen Egypte (1-1) Iedereen was zwaar teleurgesteld en gevreesd werd voor het verdere verloop van het toernooi. Niet door mij. Ik had de wedstrijd met stijgend enthousiasme gevolgd en had warme gevoelens, om niet te zeggen liefde voelen groeien voor de jongens van Oranje. Drie dagen later sliep ik nog niet. Af en toe lag ik een paar uurtjes schuimbekkend en knarsetandend naast mijn vriendin op de matras maar pas de donderdag daarop viel ik uitgeput in een diepe slaap. Voor het Johnny Cash-concert leek het me dan ook raadzaam de dosering wat aan te passen.

Met z'n vieren pasten we net in de Cinquecento van de modinette. Behalve dat we fan waren hadden we niet veel gemeen maar ieder zag er op zijn of haar manier heel speciaal uit. In ieder geval in de ogen van de vijfduizend Tros Kompas-lezers die zich in de Thialf-ijshal hadden verzameld. Die hadden nog nooit een meisje met een knalrode beehive en gescheurde netkousen gezien. Portugezen waren in Friesland ook dun gezaaid en in wat de modinette voor zichzelf had genaaid zou zelfs Nina Hagen zich niet hebben durven vertonen. En dan was er nog die graatmagere gast met ogen als theeschoteltjes. Kortom, we hadden meer bekijks dan het voorprogramma.

In de pauze nam de burgemeester van Heerenveen het woord. Hij heette namens de gemeente de heer Johnny Cash, zijn familie en zijn orkest van harte welkom en om hun waardering voor zijn komst te laten blijken had de plaatselijke fanfare een Johnny Cash-lied ingestudeerd. En daar marcheerde 'Excelsior' de zaal binnen. Uit tientallen toeters klonk de Orange Blossom Special. Het was prachtig.

Of het daardoor kwam weet ik niet maar Johnny en zijn band speelden daarna of hun leven ervan afhing. De een na de andere hit knalde van het podium in een tempo waarvoor de Ramones zich niet hadden hoeven schamen.

Nederland spuugde zichzelf dat jaar uit de achtste finale, tussen de XTC en mij is het nooit meer echt goed gekomen maar mijn liefde voor Johnny is groter dan ooit.

Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

Bert Hadders (Tweede Exloërmond, 1962) is voormalig circusdrummer, poffertjesbakker en putjesschepper. Hadders schrijft liedjes in het Veenkoloniaal Drents. Op zijn naam staan meerdere klassiekers in de Nedersaksische streektaalmuziek. Soms schrijft hij in het Nederlands. Meestal korte verhalen.