1. Meisje van dertien achter het IJzeren Gordijn
    (23 mei 2020)
  2. De boksbal van Dzjengis Khan
    (22 februari 2020)
Meisje van dertien achter het IJzeren Gordijn
leestijd: 6 min

Het was in het vroege voorjaar van 1985 en ik was dertien jaar, een meisje dat op een jongetje leek, met een scheve bril en haar dat te lang was om kort genoemd te worden maar dat zeer zeker ook niet lang was. Een zeer non-descripte lengte. Ik voelde me als mijn haar: vlees noch vis, nergens helemaal thuis, al was ik vast niet veel ongelukkiger dan andere dertienjarigen.

Hoe het zo was gekomen weet ik niet, maar ik zou met twee mij volslagen onbekende volwassenen meerijden naar Praag, toen nog niet hip en bruisend en wel grauw en deprimerend. Het was de bedoeling dat ik bij familie zou logeren en mijn oudtante, de zus van mijn opa, ging bezoeken. Deze mij tevens onbekende dame lag op sterven. Wie deze reis en de invulling ervan had bekokstoofd, is mij tot op de dag van vandaag onduidelijk, maar achteraf kan ik wel het een en ander invullen. Mijn moeder, gevlucht uit datzelfde Praag in 1968, mocht het land niet meer in en via mij kon ze zo toch afscheid nemen van haar tante. Het klinkt geloofwaardig, toch? Of misschien wilde ze graag dat ik haar tante Lilka, zei het eenmalig, eens zou ontmoeten. Geen woord Tsjechisch sprak ik, oké, misschien zestien woorden, en geen enkel familielid daar in den vreemde had ik ooit ontmoet, dus wat kan er misgaan, moeten mijn ouders hebben gedacht.

De man met wie ik meereed was een dienstweigeraar die bij mijn stiefvader op het architectenbureau zijn vervangende dienstplicht deed, een jonge vent nog, en de vrouw was zijn vriendin. Al bij het instappen was voor mij duidelijk dat deze reis hun eerste samen was. Zelfs zonder enige ervaring in de liefde kon ik vaststellen dat het voortdurende geklit, de verliefde, wellustige blikken en het grijpen en graaien dat schaamteloos voor mijn ogen plaatsvond hier uitingen van waren. Ik denk dat mijn nog niet helemaal ontloken puberteit zich uit pure schrik na deze autorit nét even wat langer dan nodig ergens binnenin mij heeft verstopt. Het was niet te doen voor dit meisje van dertien, ik benadruk het graag even zodat u niet denkt dat ik maar wat bazel. De hele reis met die onbekende geile apen naar die onbekende stad met al die vreemde familieleden waar ik niet mee zou kunnen praten, ik denk niet dat ik het zonnetje ver van huis ben geweest.

Bij de eerste Raststätte liepen zij weg zonder naar mij om te kijken en waar vond ik ze terug? Inderdaad, ik vond ze terug tegen de wasbak in het damestoilet, verstrengeld als een pulserende klimop. Bij de volgende pitstop was het raak bij zo'n kauwgomballenautomaat, waar ik nog net kon zien hoe hij een plastic ring voor haar had weten te scoren die hij vervolgens om haar stomme vinger schoof. Ik haatte het. Haatte haar omdat ik haar nep vond doen, met haar kirrende stemmetje en haar maniertjes en haar stomme plastic nepring. Hem omdat hij zich zo overdreven haantjesachtig gedroeg terwijl duidelijk was dat ie de zachtmoedigheid zelve was. Waarom stelden die twee zich zo aan? Ik wist het niet en toch ook weer wel. Als dit verliefdheid was dan hoopte ik daar tot in het einde der tijden van verschoond te blijven.

Jarenlang heb ik gedacht dat de ongemakkelijkheid die ik toen voelde wel jaloezie geweest moest zijn. Dat was de enige verklaring voor mijn afgrijzen, iets anders kon ik niet verzinnen. Tot ik zelf kinderen van dertien kreeg die bij elke uiting van hormonale affectie (in boeken, films of gewoon op straat) vol plaatsvervangende schaamte onder hun trui probeerden te kruipen. Misschien was het dan tóch geen jaloezie, misschien was het dat ongemakkelijke gevoel van geconfronteerd worden met openbare uitingen van grotemensengeflikflooi waar je van weet dat het bestaat en ook waar het toe kan leiden - het zou zelfs zo maar kunnen dat je op een onbewaakt moment je gedachten er wel eens over had laten gaan, die ene jongen uit de klas boven je die steeds maar terugkwam in je dagdromerij, maar allejezus laat het niet te dichtbij komen, zulke dingen zijn om te denken en niet om te doen.

In Praag bij de familie voelde ik me verloren. Ik kon ze inderdaad niet verstaan. Twee volwassenen spraken Engels maar veel beter werd het er niet door. Ik snapte niet waarom de mensen aan me plukten en friemelden alsof ik een porseleinen pop uit China was of beter nog: van een andere planeet kwam. Ja, ik had andere kleren aan en kwam ergens anders vandaan, maar hou je handen gewoon thuis. Van het bezoek aan de oude vrouw op haar sterfbed kan ik me alleen nog herinneren dat ze mijn hand aaide met haar uitgemergelde hand en me 'Haničko' noemde, de voornaam van mijn moeder en dat ze op mijn opa leek, maar hoe dit kwam was ik alweer vergeten. Ik had nog nooit ergens zo graag weg gewild.

Tot overmaat van ramp bleek mijn wegwerpcamera, een cadeautje van mijn ouders voor op deze reis, plots helemaal vol te zitten. Iemand had hem blijkbaar uit mijn tas gehaald, als een dolle op knopjes geklikt en weer terug gestopt. Mijn tante troostte mij en zei dat een van haar dochters het waarschijnlijk had gedaan, maar dat ik het hen maar niet euvel moest duiden: ze hadden nog nooit zoiets vreemds als een wegwerpcamera gezien hier achter het IJzeren Gordijn.

Voor de nichtjes had ik kiwi, mango en ananas meegenomen. De cadeaus werden enthousiast in ontvangst genomen, maar na de ananas kwamen de tranen. 'Ik ben een beetje boos op je' zei het jongste nichtje. 'Ik eet nu het lekkerste dat ik ooit at, maar ben verdrietig omdat ik waarschijnlijk nooit meer zoiets lekkers als ananas zal eten. Ik wou dat ik het nooit had geproefd!' Snikkend rende ze de kamer uit.

Bij thuiskomst liet ik de foto's in de wegwerpcamera ontwikkelen. De schuldige wildschietster (wederom het jongste nichtje) had zichzelf, de kamerplanten, haar oren, haar opengesperde ogen en haar opgetrokken neusgaten zeer kunstig in beeld weten te brengen. Voor het eerst sinds mijn vertrek naar Praag kon ik weer soort van lachen, maar om nou te zeggen dat mijn eerste kennismaking met het land van mijn ouders een geslaagde was geweest...

De boksbal van Dzjengis Khan
leestijd: 5 min

De vrouw die werd geslagen door haar man en vond dat ze vooral moest zwijgen want haar kinderen hadden een vader nodig -ze kwam pas bij mij nadat hij bijna alle tanden uit haar mond had geslagen en een toevallige buurvrouw het timmerfeestje had mogen aanschouwen en 112 had gebeld. Ze had toen weten te vluchten, de amateurbokser had hierna zijn ongerichte woede op de overbuurvrouw afgereageerd door haar ongeboren baby in het Servo-Kroatisch met de dood te bedreigen. Ze had me op monotone toon meegedeeld dat andere buren hun gordijnen en ramen doorgaans dicht deden als Dzjengis Khan, zo heette hij echt, zei ze, bijna als een sprookje, zei ze, weer eens bezig was zijn vrouw, zijzelf dus, voor een boksbal te houden. Ze had weten te ontkomen en nu zat ze hier bij mij en niet met grote graagte kon ze me verzekeren. Het was omdat de politie de ernst van de situatie had ingezien en een beoordeling wilde, of iets in die richting, het interesseerde haar niet echt. Iets met door verplichte hoepeltjes springen en door.

Ik was de eerste na haar moeder die ze ooit hierover in vertrouwen had genomen, zei ze. Haar moeder had verbazingwekkend genoeg ook zo'n vent gehad. Die vent heette Gre en had tussen het meppen van mama door ook haar te grazen weten te nemen, maar dan zonder klappen en met seks en dwang.

Ze zag het verband niet, zo kwam het me althans over; waarschijnlijker was dat ze geen behoefte voelde aan autogegraaf. Het blijft toch een luxeproduct soms, zelfreflectie. Ze wilde hier gauw een punt achter zetten, achter praten met mij en in een opvanghuis wonen in deze stad die niet de hare was. Ze wilde terug naar Rotterdam, naar de relatieve veiligheid van haar begin, al was dat met haar moeder en haar foute partnerkeuze natuurlijk allemaal maar relatief geweest. Alles beter dan wat erna kwam, alles beter dan de boksbal zijn van Dzjengis Khan.

Of ze haar buren en buurt niet zou gaan missen, had ik gevraagd. Nee, had ze kort gezegd. Nee, natuurlijk niet. Een paar keer schudden met het hoofd met de vele krullen. Had ze geen goed contact met die mensen opgebouwd? Had niemand dan ooit iets gezien of gehoord, zoiets kan toch niet onopgemerkt blijven? Ze had me, ik denk dat het meewarig was, aangekeken en het schudden van het hoofd was doorgegaan.

Mevrouw, had ze gezegd, iederéén wist het, de ramen gaan al jaren dicht als het boksuurtje zijn aanvang neemt. Die overbuurvrouw was nieuw hier en duidelijk van een ander slag. Leven en laten leven is het toch vooral in deze buurt, u heeft duidelijk nog weinig ervaring hier. Wie zijn wij om te oordelen over de zwaktes van anderen. Dat had de andere overbuurvrouw haar ooit bij wijze van erbarmen verteld, toen ze bont en blauw tegen haar was aangebotst in de brandgang. De overbuurvrouw had een arm om haar schouder geslagen en gezegd dat ieder huisje zijn kruisje heeft en dat ook zij de zwaktes van haar man door de vingers zag, net zoals zij dat nu met Dzjengis Khan moest doen. Al meer dan 40 jaar kneep de overbuurvrouw een oogje toe als haar man zich zwak toonde. Zo gaan die dingen nu eenmaal.

Voor ik kon vragen waarover ze het had gehad kwam het afgemeten antwoord: hoe langzaam van begrip was ik? Voor een psycholoog leek ik weinig van mensen te begrijpen. Iedereen vergrijpt zich aan de zwakkeren, ook zij had wel eens de kat geschopt. Ook zij was geen heilige, eerder de vieze hoer die hij van haar had gemaakt want zeg nou zelf: een heilige schopt geen dieren en wenst haar man niet dood.

De overbuurvrouw, niet de reddende engel, die andere, dat serpent dat ook niet beter wist, had het over de naamloze dingen die haar man Jan bij haar dochtertje Fatime en god mag weten hoeveel andere meisjes vóór haar dochter had gedaan. Aanrakingen plus, zeg maar, met de handjes onder de rokjes en dan opgeplust, ze had even geen zin in specificeren. Ze had het geaccepteerd, ze was verpleegster en kostwinner. De opvoeding van de kinderen had ook bij haar gelegen, Dzjengis had altijd gezegd dat mannen niet oppassen of vrouwentaken verrichten. Dus ze had vaak aan de buurvrouw die niet beter wist gevraagd of ze op de kinderen wilde letten als ze boodschappen moest doen of dat ze bij haar konden slapen als ze nachtdienst had. Haar man Jan was dan ook altijd van de partij. Ze had het maar gelaten, ook al zag ze dat Fatime weer in haar bed was gaan plassen en zich steeds verder terugtrok.

Maar nu was dat alles voorbij. Ze zouden naar Rotterdam verhuizen en Dzjengis werd hopelijk het land uitgezet. Een omgangsverbod zou hij sowieso aan zijn Kosovaarse laars lappen, dat wist ze zeker. Was ze de engel dankbaar, vroeg ik. Ze had haar schouders opgehaald. Ze had vooral medelijden met haar, duidelijk niet gewend aan haar soort en de buurt waarin ze was komen wonen. Maar ja, eigen schuld en alles, de vrouw had net als alle anderen haar ogen, gordijnen en ramen kunnen sluiten voor de klappen van de man van wie ze nu voor altijd verlost hoopte te zijn. Ze vond het zielig dat de vrouw nu elke avond bang was en een groot hek om haar huis had gebouwd, maar, zoals gezegd: eigen schuld dikke bult, uiteindelijk overheerste voor dat gevoel.

Dit was de eerste keer dat ik met stomheid geslagen was na het vertrek van een cliënt. Ze kwam nooit meer terug, deze verpleegster uit Rotterdam, deze ex-boksbal van Dzjengis Khan, maar na haar volgden helaas nog velen die mij met hun verhalen de adem benamen.

Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

Bronja Prazdny (Groningen, jaren ‘70) is schrijver, journalist en kind van Tsjechoslowaakse vluchtelingen, maar verstaat en spreekt de taal van haar ouders niet (meer). Schreef hierover in haar debuut 'Verloren Taal' (Nieuw Amsterdam, 2016). Schreef ook 'Vrouwen met Autisme', een serie portretten van autistische vrouwen, dat (bijna) aan de achtste druk toe is.