1. Wat heb jij toch met... sommige concerten?
    (11 juli 2020)
  2. Wat heb jij toch met... dat kleine jongetje van toen?
    (20 juni 2020)
  3. Wat heb jij toch met... Simon Vinkenoog
    (16 mei 2020)
  4. Wat heb jij toch met...
    (02 mei 2020)
  5. Wat heb jij toch met...
    (18 april 2020)
  6. Wat heb jij toch met...
    (04 april 2020)
Wat heb jij toch met... sommige concerten?
leestijd: 2 min

Samen met vriend Bert op weg naar Den Haag om in het Zuiderpark aldaar Polo de Haas' en Kees Wieringa's weergave van Simeon ten Holt's 'Canto Ostinato' te luistervaren. Op weg naar het openluchttheater in het park langs allerhande barbecue-gezelligheid, spelende kinderen, in het gras zittende mensen, plezier ende jolijt. Eenmaal in het theater, niet helemaal gevuld, een zitplek gevonden en rondkijkend en -luisterend; het verkeer, de vogeltjes, stemmen.

De muziek begon, voornoemde geluiden stoorden niet, integendeel, wat een geluid- en muziekschoonheid! Het publiek was stil, luisterde, velen met gesloten ogen.

Gedachten zweefden weg in niets, innerlijk gevoel werd de muziek, vond onderdak in de muziek. Zitten werd: er niet zijn, maar toch helemaal aanwezig, opgenomen in wat klonk, meegevoerd naar waar niets klinkt, een reis van jewelste! Met de muziek als reisleider, reisgenoot en reisbestemming. We keken elkaar aan, glimlachten met de gezichtsuitdrukking van: 'Wat mooi!!!'. De muziek ging door, geluiden werden muziek, muziek werd geluiden, alles klonk binnen en buiten. En toen hield het op...

Samen, andermaal met vriend Bert, die ook fotograaf was bij de Drentsche en Asser Courant, naar een optreden van Van Morrison & The Chieftains in de Evenementenhal, in Stad. Bert zou die avond ook foto's maken, ik had hem verteld van wat ik gelezen had: dat Van Morrison ooit, toen hij een fotograaf flitsend zag, van het podium was gebeend. Bert lachte, hij had er zin in.

Het concert swingde dat het een lieve lust was, de band + Van vermaakten zich prima, er werd gelachen en gedold. Bert en ik stonden boven en Bert zei dat hij naar beneden ging, want daar zou hij mooiere platen kunnen schieten. Met enige huiver keek in hem na en ontwaarde hem later beneden tussen het publiek, vooraan. Ik wist dat hij het liefst zonder flits werkte, dat was een geruststelling!

Na afloop van het concert weer terug heen Assen, waar Bert in de doka van de krant de foto's ging ontwikkelen en afdrukken, ik luisterde ondertussen naar de politieradio, die onafgebroken aanstond in het redactielokaal. Bert kwam weer uit de doka met de foto's waarop een breeduit lachende Van Morrison, unieke foto's, dat kon ik hem wel vertellen. Hij lachte.

Wat heb jij toch met... dat kleine jongetje van toen?
leestijd: 2 min

Ome Dolf en tante Miep en de jongens hun vakantie op het Kampeerpaspoortterrein in Gieten, waarnaast mijn ouders en ik woonden, zat erop. Ze waren, zeg maar gerust, familie geworden in de loop der jaren. Ze gingen weer terug naar Amsterdam-Oost/Nieuwendam en ik ging met ze mee, een jongetje van om en nabij negen. Hoera! De situatie daar was toen nog dat er tegenover waar ze woonden weilanden waren (dat is nu anders, geloof ik...).

Op een avond gingen we de stad in, uit eten. Een avontuur voor mij, boertje van buuten, nou ja... Ik aanschouwde brandend ijs, zoals ik dat later ook thuis vertelde tot grote hilariteit, het zal wel geflambeerd hebben geheten. Na afloop lopend door de stad, onder andere over de Wallen. Een wonder, een wonder van schoonheid stond voor mijn ogen, zo maar. Een hele mooie vrouw, paarse strakke jurk, een sigaret rokend, een voet op de laatste trede van het trapje dat naar beneden leidde, haar andere voet op het trottoir. Ik keek omhoog naar haar, waarschijnlijk met open mond, ze keek naar beneden en glimlachte naar me. Hoe lang dat heeft geduurd, geen idee, maar tante Miep, die met de anderen was doorgelopen, zonder te weten wat het jongetje-ik aanschouwde, kwam mij ophalen, glimlachte verontschuldigend naar de schoonheid en nam me lachend mee. Het beeld bleef me bij, tot en met nu, zoals dus blijkt. Er werd om me gelachen, maar dat deerde me niet!

Een volgende dag gingen we naar de zee: Schoorl. Spelen in de branding, bouwen van een zandkasteel, de bekende handelingen die je aldaar zo doet. Ook waren er broodjes en er was te drinken. Liggend in het zand, genoten we dat, wat was het een fijne dag!

Ik lag wat te kijken en zag, weer zo maar, een jonge vrouw in een witte bikini. Een schok ging door me heen, mijn buik bonkte, de plasser werd hard, ik wentelde me rap op mijn buik. Tante Miep had dat in de smiezen en zei, plagerig: 'Ga maar weer spelen', wetende wat over mij was gekomen. Ik zei dat ik nog even wilde wachten, ik zag het niet zitten om zichtbaar opgewonden in mijn zwembroekje naar de branding te lopen. Toen de vrouw uit beeld was en ik de gewone lichamelijke proporties weer had aangenomen, begaf ik mij naar de anderen en waarschijnlijk heb ik toen een toren op het zandkasteel gebouwd.

Ach, ik glimlach naar de onschuld van het jongetje van toen...

Wat heb jij toch met... Simon Vinkenoog
leestijd: 3 min

We (mijn toenmalige levensgezellin en ik) woonden in Eext. Ik stuurde regelmatig teksten van uiteenlopende aard naar het tijdschrift Bres, met name naar de rubriek "Wereld in Beweging" van Simon. Vaak werd er daarin iets opgenomen en er was die keer dat Simon uitriep (nou ja, niet letterlijk, maar tekstueel als zodanig benadrukt): "Zieletaal!". Er volgde op een gegeven moment een brief van hem waarin hij meedeelde eens een keer op bezoek te willen komen (ondertekend met een tekening van een vogeltje (vink), een & en een tekening van een oog). Het maakte me onrustig, we woonden bij oma en twee vrijgezelle ooms in en ik zag het niet meteen voor me dat Simon ten tonele zou kunnen komen, ze hadden al moeite genoeg met mij en mijn uiterlijk en levenshouding, het ging op zich prima, daar niet van, maar ik aarzelde, nog eens en besloot toen dat het niet gebeuren zou. Moeilijk uitlegbaar, merk ik nu ook, maar het is niet gebeurd, wie weet heet het dat ik er nog niet "klaar voor was" (?)...

Jaren daarvoor: de Chr. Mulo in Den Ham (O.). De leraar Nederlands proefde in mijn opstellen het taalgevoel, taalplezier. Op een dag nodigde hij mij bij hem thuis uit en liet me een aantal dichtbundels zien: Lucebert, Paul Rodenko, Paul van Ostaijen e.a. én Simon Vinkenoog. Ik mocht ze lenen. Ik leeservoer ze als "wow" en zo meer, tot ik belandde bij, liever ín de gedichten van Simon - ik werd uit de "gewone" werkelijkheid gezwiept en er met een plof in teruggezet. Welk een opschudding des geestes vond er plaats! Vraag me niet naar titels der bundels, doet er niet toe.

Later: een poëziefestival in de bossen bij Sleen (Dr.), Simon trad er ook op. Ik zou die dag, had ik besloten, de triantaoling (in de Drentse taal gezet) van Allen Ginsberg's "Howl" laten klinken. "Howl" is in dit geval "Galp" geworden. Simon en ik banjerden een tijd over het terrein, hij had net, voor de zoveelste keer, zei hij, de verzamelde gedichten van Leo Vroman aangeschaft bij een boekenkraam aldaar. We kregen het over "Howl" en de "perform-ervaring" ervan (hij heeft het in het Nederlands vertaald): "Er was die keer dat na afloop bleek dat er een plasje zweet op de grond, aan mijn voeten, lag", vertelde hij me. Ik herkende dat. Er waren die dag nog een paar samens en een vriend maakte foto's van ons tweeën, die ik koester.

Weer later: Simon trad op (op verzoek van Flanor in Usva, 2009) in Groningen. De dikke bundel "Vinkenoog Verzameld" was net uit, meen ik. Simon deed wat Simon deed: gedreven, begeesterd laten klinken wat hij had geschreven. Als verzoeknummer vroeg ik "Lieverd" aan, zijn liefdesgedicht voor Edith. Dat klonk!!

Buiten de Usva, in de pauze, spraken we elkaar, sprak ik Edith, we blijken even oud te zijn, er werd gezellig gerookt. Na afloop was er de nazit, waar we spraken over the Byrds, Colin Wilson, Ruigoord, wat al niet, het was een wilde, aangename associërende rondedans des geestes. Ook signeerde hij de bundel die ik mee had genomen.

Een vriend is iemand waarmee je de "basale klik" voelt en van daaruit waag en durf ik hem een vriend te noemen.

Wat heb jij toch met...
leestijd: 2 min

Toe-Val (3 en slot)

Devi (een West Highland White Terrier) was overleden en wat ik deed was het verdriet een plaats geven, het verdriet door-leven. Echt voorbijgaan doet zoiets niet, maar op een gegeven moment is het een deel van je.

Het verdriet, het missen had dus een plaats gekregen en op een dag liep ik rond met de gedachte: "Laat ik het asiel in Beilen eens bellen of daar misschien een Westie (de korte benaming voor West Highland White Terrier) is." Ik schoof die gedachte van me af, want een Westie zou natuurlijk niet in een asiel zijn, natuurlijk niet! Ik had al een paar keer, zo'n keer of zes, zeven met de telefoon in mijn hand gestaan, maar die dus telkens terzijde gelegd.

Het bleef maar in me klinken, op een geven moment hakte ik de knoop door en besloot toch te bellen, aarzelend weliswaar, maar ik deed het.
"Goedemiddag."
"Goedemiddag, u spreekt met Egbert Hovenkamp uit Assen. Ik heb een vreemde vraag, ik weet het, maar toch vraag ik het maar: "Is er bij jullie misschien een Westie in het asiel?"
"................................", het bleef even stil aan de andere kant van de lijn, "meneer, u belt, de deur achter mij gaat open en... er wordt net een Westie binnengebracht..." Ik glimlachte, was ook even stil, mijn hart bonkte, ik had alleen maar wat domme opmerkingen in voorraad die ik niet uitsprak.

Mij werd voorgesteld, dat deden ze anders nooit (een hondje gaat eerst een tijd in quarantaine), dat ik de volgende dag langs kon komen om, eventueel, Bobby, zo heette het hondje, te komen halen. Aldus geschiedde; Bobby werd voor de rest van zijn leven bij mij: Roxy.

Zo zijn er meer, veel meer dingen, in mijn leven die toe-val heten te zijn. Ja, dat is ook zo: het valt me toe. Voor de één is het af te doen met een wegwerpgebaar: "Ah joh, gewoon toevallig, meer niet."

Jammer dat het geïllustreerd wordt met een wegwerpgebaar, alsof het er niet toe doet. Was er geen toe-val in mijn leven dan zou de toe-komst me nu ontgaan.

Wat heb jij toch met...
leestijd: 2 min

TOE-VAL (2)

Het was in die tijd (midden jaren zeventig) van gonzen, bonzen, fronsen in hart, hoofd en ziel; het/mijn LevensPad dat in beeld gleed. Allerlei boeken en probeersels waren de revue gepasseerd, in mijn leven doken de boeken van Bhagwan (later Osho) op en ik kon op zo ongeveer alles "Ja" zeggen; "Ja" vanuit her-kenning, "Ja" vanuit...uh..."Ja".

Vriend Kees, met wie ik 's ochtends al vaak een Bhagwan-meditatie (Dynamic) deed had besloten naar Poona, India, te gaan waar de ashram van Bhagwan was en waar je sanyassin kon worden: nieuwe naam en mala (kralenketting met portretje van Bhagwan eraan) waren de ingrediënten daarna. Ik had geen poen om naar Poona te gaan (sorry voor het flauwe gehalte van dit), geen nood, kreeg ik te verstaan, het kon ook middels een foto. Ik gaf Kees dus een foto mee. Kees naar Poona, ik thuis, in Steenwijk.

Op een avond, tegen het vallen daarvan, liep ik van de Buze (jongerencentrum) naar huis toen de zus van mijn ex mij tegemoet rende en zei: "Dit boek moet je lezen!!!" Het was "Blonde Martijn" van Olaf J. de Landell. Boek mee naar huis, boek op de plank.

Wat ik vaker deed deed ik nu ook: zitten in een stoel, ogen gesloten, buiten mijn lichaamsbesef belanden, ik hoorde een stem (niet letterlijk (hoewel...), maar ik noem het even zo: "Opstaan, pak het boek...", aldus geschiedde, ik pakte het boek, de laatste bladzijde toonde zich, ik las de laatste regel: "Ik begrijp nu pas, dat hij de vlam is geweest, die hij niet kon uitbeelden." "Baf" en nog eens "Baf", ik werd kippevel, liep naar de tafel en ging geboortekaartjes maken: "Martijn Egbertoen" was geboren. Liet de kaartjes kopiëren, stuurde die rond en ik heette Martijn.

Kees, nu Mimanso, kwam terug uit Poona, hij deelde me mee dat hij mijn foto was kwijtgeraakt. Ik lachte en lachte en zei: "Hoe mooi, er werd mij een nieuwe naam gegeven" en ik vertelde hem het Martijn-toe-val.

We lachten en lachten en omhelsden elkaar.

Wat heb jij toch met...
leestijd: 3 min

Alles. Alles valt je toe. Hoe je het ook wendt of keert.
Ik woonde met mijn vriendin in Willemsoord. We huurden een boerderij. Op een gegeven moment moesten we eruit. De verhuurder was een beetje een nare man, laat ik het maar zo zeggen.

Hoe nu? Wat te doen? We wisten van een mooi boerderijtje, een eind van de weg af, achter een landhuis, dat hadden we wel eens gezien, tijdens een wandeling en we verzuchtten dan: "Dit zou toch wel erg mooi zijn om in te wonen." Maar ja, het was bewoond...

Het was een zondag. Op een of andere manier "moest" ik naar het boerderijtje gaan. Dat deed ik. Buiten zat iemand aan een tafeltje met paperassen in de weer te zijn. Ik stelde me voor en vroeg of het te huur was. De vraag dook, in alle onlogica, in me op. De man lachte en zei dat ik te laat was, want deze middag zouden er drie stelletjes komen om het huis te bekijken en hij zou hen bekijken of er tot een verhuur zou worden overgegaan, aan wie van hen.

Okee. Niet uit het veld geslagen ging ik terug naar ons huis, zei wat ik te horen had gekregen", "jammer en hoe nu"... Ik ging in de kamer op een bank liggen luisteren naar Mike Oldfield's Tubular Bells, rookte een blowtje en was rustig, rustig in mezelf, dat was ik al toen ik van het boerderijtje naar "onze" boerderij terugliep. Gewoon rustig, stil.

De middag gleed heen en op een gegeven moment klonk vriendin vanuit de keuken: "Er rijdt een auto ons erf op, ga jij naar de deur?" Dat deed ik. Het was de man die bij het boerderijtje met de paperassen doende was geweest, hij zei: "Steek je hand maar uit." Enigszins verbaasd deed ik zulks en hij liet sleutels in mijn hand vallen... "Het huisje is van jullie. Geen van de stelletjes is op komen dagen."

Afijn, hij noemde nog even wat praktische zaken: we hoefden/mochten geen huur betalen, 's zomers zouden zijn kinderen komen, met een tent, in de boomgaard (er was 40 are grond, omgeven door eikenwallen, een boomgaard met appel-, peren- en pruimenbomen) - voor wat betreft de kinderen: die genoten, want ze vonden het maar wat leuk bij ons, rare, aardige alternatieve, op hippie af.

Afijn, de verhuizing volgde, per bakfiets, het was zo'n 500 meter bij onze boerderij, die we, leven Zij Dank, dus gingen verlaten, vandaan, op naar een nieuwe leven/woon-fase. We hebben daar intensief geleefd, op allerhande manieren intens. Het was wat het was, het was ons toegevallen.

Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

Egbert Hovenkamp II (Eext, 1953) is taalwever, terplekkepoeet, podiummens, die thuis is in Drenthe. Foto: Sake Elzinga.