1. Teringwijf
    (17 april 2021)
  2. Stinken
    (06 maart 2021)
  3. Schrijversleven
    (30 januari 2021)
  4. Tabernakel
    (26 september 2020)
  5. Poison Arrow
    (09 mei 2020)
  6. Küsse aus Liebe, Küsse aus Lust
    (28 maart 2020)
  7. Wolfheze
    (22 februari 2020)
Teringwijf
leestijd: 1 min

In café De Volksvriend schoof een man moeizaam bij aan mijn tafeltje. Een snotterbel glansde op zijn bovenlip.
'Ik heb COPD,' verklaarde hij snuivend en keek me triomfantelijk aan.
Ik moest onmiddellijk denken aan de kop van een man op een schilderij van Jeroen Bosch.
'Hebt u veel gerookt?' vroeg ik.
'Je luistert niet,' zei de man. 'C-O-P-D. COPD heb ik. Maar ik heb een scootmobiel. Evengoed kost mij dat nog € 19,50 in de maand. En er is helemaal niks aan om hier rond te rijden. Dit is een rotstad!'

Hij snoof opnieuw. Bij het uitademen via de neus blies zich een troebel belletje op bij zijn linkerneusgat.
'Financieel ben ik niet rijk,' zei de man.
'Ik ook niet,' zei ik.
'Dat dacht ik gelijk toen ik je zag. Hoe oud denk je dat ik ben?'
'63,' zei ik. Hij wachtte even.
'70,' zei hij.

Het belletje was geknapt, de snotterbel begon in te drogen. Het glanzen werd minder. De man vertelde dat hij een van de twaalf kinderen van een schipper was. Zijn vader voer met bieten, oud ijzer en pulp. Hij was het enige kind dat nog leefde. 'Hebt u zelf ook kinderen,' vroeg ik. 'Of hebt u geen zin om daarover te vertellen?'
'Nee,' zei de man gedecideerd.
We dronken zwijgend. Hij staarde in de verte.
'Dat teringwijf...', hoorde ik hem mompelen. Ik keek hem verbaasd aan.
'Luister. Ik zal het je precies vertellen. Twee kinderen heb ik. Maar die ene is niet van mij. Honderd procent zeker. Die is van mijn broer. Duizend procent!'

Stinken
leestijd: 1 min

Ik moest vanmorgen denken aan mijn eerste auto, een koningsblauwe Opel Kadett. Ik zeg 'koningsblauw' maar het was meer arbeidersblauw. Hij kostte tweehonderd gulden. Goedkoop, want hij stonk vanbinnen. Niet zomaar naar poep of rotte eieren, het was de onontkoombare geur van de dood, maar dat realiseerde ik me pas later. Ik dacht: niet zeuren, tweehonderd gulden is niet veel en hij rijdt als een tierelier. Want dat deed-ie. Ik reed gewoon zomer en winter met de ramen open en geen lange stukken. Dat was niet nodig want ik hoefde nooit ergens te zijn. Als het warm was en het ondraaglijk werd, de stank, draaide ik Bruce Springsteen, 'Never Ride A Used Car No More' en zong heel hard mee.

Veel later, de Kadett was al lang en breed gedemonteerd, huurde ik een kantoor bij een grassenweitje, in een plat gebouw dat ooit gediend had als vrouwenopvanghuis. Er hing daar veel leed tussen de muren. Maar er hing ook een geur, die, weet ik achteraf, dezelfde was als in mijn Kadett. Een marter sleepte zijn prooien naar de loze ruimte tussen plafond en dak en vrat ze daar half op. Ineens wist ik het: mijn Opel Kadett C was ook de plukplek van een marter geweest. Ik bewonderde mezelf omdat ik het anderhalf jaar volgehouden had in die auto.

Schrijversleven
leestijd: 1 min

X wordt geboren op ... december 19... in een godvrezend gezin. Van jongs af aan is hij actief in het gereformeerde verenigingsleven van ....

X kan goed rijmen, maar hij wil dichter worden. In 1936 wint hij een dichtwedstrijd. Drie jaar later publiceert hij zijn eerste dichtbundel bij een reguliere uitgeverij: .... (19...). Voor zijn dagelijks brood gaat hij werken op een belastingkantoor. Tijdens de Tweede Wereldoorlog komt X in andere sferen. Hij sluit vriendschappen met de schrijvers .... en ...., met de toneelspeler ...., met de voordrachtskunstenaar .... en met de in naakten gespecialiseerde tekenaar .... Zijn poëzie ontwikkelt zich in een andere richting. Hij publiceert drie illegale bundels met erotische gedichten, de titels verwijzend naar Adam en Eva.

In zijn bovenhuis aan een ... gracht organiseert hij de wildste feesten, waarvoor zijn vrienden graag uit ... komen. Kort na de oorlog verschijnt de enige roman van X, een autobiografisch relaas over een ambtenaar met artistieke aspiraties. De roman speelt overduidelijk in ..., tegen de achtergrond van de bezetting.

Na zijn ontslag als 'schrijver tweede klasse' krijgt X een baantje in de journalistiek. Hij wil iets van de wereld zien. Op 15 augustus 1948 begint hij aan zijn Italiaanse reis. In de vroege morgen van 23 augustus sterft hij in ..., plotseling en zonder duidelijke oorzaak.

Tabernakel
leestijd: 2 min

Jarenlang staarde ik gebiologeerd naar het tabernakel in de kerk, een gouden kastje dat de pastoor met rituele pluimstrijkerijen benaderde, elke zondag weer. Er stond een kelk in met het bloed van Jezus en de hosties werden er bewaard, het lichaam van Christus. Mijn oudere broer was misdienaar. Hij klingelde met een belletje als de pastoor bij het heiligste moment was: neemt en eet hiervan, want dit is mijn lichaam. Ik zag aan het gezicht van mijn broer dat het menens was. Hij was niet meer mijn broer, maar een koude dienaar van het mysterie. Even later stommelde het kerkvolk naar voren, ze staken hun tong uit en de pastoor drukte daar dan met zijn duim een plakkerige hostie op. Als je hem voelde op je tong, moest je 'Amen' zeggen. Soms mikte de oude, bibberige pastoor verkeerd. Dan viel het lichaam van Jezus op de grond. Geen nood, hierin voorzag het protocol. Mijn broer had een gewijd lapje. Daarmee raapte hij plechtig de gevallen hostie op, schreed het altaar op en legde hem eerbiedig terug in het tabernakel, in een speciaal bakje voor dit soort bedrijfsongevallen.

Oom Hein was de koster. Hij stak de kaarsen aan, was doodgraver, organist en schreef de teksten voor de bidprentjes. Floormanager zeg maar. Soms mochten we met hem mee naar de klokkentoren, over smalle houten laddertjes, langs de gewelven vol duivenstront. Wij woonden tegenover de kerk. Op een regenachtige maandagochtend was ik ziek thuis van school. Vanuit de voorkamer zag ik oom Hein slepen met iets. Hij zette het tabernakel aan de straat. Het deurtje klapperde in de wind, met het gouden sleuteltje er nog in. Ik liep ernaartoe, in mijn pyjama. Er was niemand. Het witte satijn was gescheurd. De regen sloeg naar binnen. Het heilige huisje van Jezus was afgeschreven. Het mysterie was verpest.

Poison Arrow
leestijd: 6 min

Wat je onthoudt van een ontmoeting zegt wie je bent.

I.
De reus met het kolendragersjasje die de volle collegezaal veel te laat betreedt. Stampend op zijn cowboylaarzen. Zijn Drentse accent, het negeren van alle academische etiquette. De koffie daarna. Hoe we aftasten wie er de baas is. Marnix, Menno, Gerard, André, ik. De jongen die vindt dat je moet bidden voor homo's, de sportieve Fries, de kolendrager, de ontheemde rozedriehoekdrager. Er is ruimte in ons hart, we worden vrienden. We zeggen de dingen, we spelen de rollen. Ik ben de beste zwijger.

II.
We moeten luisteren naar een stuk van John Coltrane. Snoeihard speelt Gerard de plaat af. Hij heft bezwerend zijn vinger. 'Straks komt het. De seconden voordat hij zijn solo pakt, Coltrane's stilte, daar gaat het om. Je weet dat het gaat komen, het onherroepelijke waar je op wacht...' Nerveus draait hij een sigaret en geeft de tabak door aan Menno. We luisteren. Een doffe dreun, de onderbuurman stoot hard met een bezem tegen de vloer. 'Klootzak!' roept Gerard. 'Kalm aan,' zegt Menno. 'Die man moet morgenochtend weer achter de vuilniswagen. Die heeft niks te schaften met jouw ontremde fascinaties, die wil rust. Wanneer gaan we weer schaatsen, Gerard?' Ze trainen voor een marathon: Menno de sprinter, Gerard de stayer. Ze maken schema's, ze doen diëten, ze zullen niet meer zuipen.

III.
Soms, in het café, ontspant de veer. Dan komt er een middeleeuwse losbandigheid over hem. Gerard lacht, bestelt, vertelt. 'Zaterdag had ik een feestje met ooms en tantes en augurken in boterhamworst. Mijn oom Hilbert uit Balloo was er ook. Die was vroeger al beroemd om zijn geilheid. Kwam bij ons op bezoek, zag vanuit de keuken een mooie vrouw, ging naar buiten, dan hoorde je een kwartier geluiden en daarna kwam hij weer binnen. Met grote honger. Afijn, die oom Hilbert vertelde zaterdag dat hij nou voorzitter is van een club vrienden die samen pornofilms kijken. 'Is heel gezellig, Gerard,' zei Hilbert, 'maar als jij me nou vraagt of je ook bij de club mag, zeg ik: kan niet.'

'Geef mij de schaatsclub maar,' mompelt Menno. Gerard neemt een slok van zijn Westmalle. Hij kijkt ons aan. 'Nu nog eens wat. Ik heb er lang over nagedacht. Morgenochtend gaat het gebeuren. Ik kan er niet meer tegen.' Hij verheft zijn stem. 'Als wij hún artikeltjes navertellen, is het goed. Volg hún spoor terug, de neus in hún geurvlaggen. Zijn wij hondjes van Pavlov? Ben jíj een speurhond? Menno, ben jíj een kwijlhond? Ik niet! Honden zijn smeerbartjes, ze vreten stront, ze rollen erin rond!' We lachen, we geloven hem niet, we drinken door tot het café sluit. Buiten slaat Menno een arm om onze schouders. Hij piept een operettestemmetje tevoorschijn. 'Goed, dan zeg ik nu voor u het vers Romanza di Cavalli. Let u op, dames en heren? Well, I woke up in the morning, to do some huntin' and fishin', eatin' and pissin'...' Zijn rechterbeen heft hij bij elke lantaarnpaal, zo hoog als een dominante reu. We maken danspasjes, we zingen met kopstem Shoot that poison arrow through my heart. Lange uithalen in de verlaten straten. Menno en Gerard en ik zijn gelukkig. Het afscheid is vreemd en stil. Er is geen einde. Er is niets geweest.

De volgende dag staat Gerard midden onder het werkcollege op. Hij geeft de professor ernstig een hand: 'Ik ben er hartstikke flauw van. Ik kom niet terug. Het is allemaal onzin wat jullie doen.' Hij is weg.

IV.
Het getokkel van de tweecilinder wekt me. Er is spot in Gerards ogen. Hij ziet hoe slaperig ik nog ben. 'Je ruikt naar rook en bier,' zegt hij, 'er hangen korstjes in je wimpers.' 'Slaapjongens noemde mijn moeder die altijd,' zeg ik. Het is mijn eerste keer achterop een motorfiets. Hij rijdt hard, ook in de bochten. Ik hoor hem tekeergaan in zijn helm wanneer een auto geen voorrang verleent. 'Godverdomme, wou je me dood hebben?' Als hij remt, stuitert mijn helm tegen de zijne. Als hij rijdt, gaat het goed met hem.

Bij Enkhuizen wil hij over de dijk naar Lelystad. Het stormt. Aan de voet van een zeventiende-eeuws havenpand zit een oude man alsof hij nooit ergens anders heeft gezeten. Hij draagt een visserspet. Gerard vraagt hem of het kan, over de dijk met de motor. 'Als jullie met die motor over de dijk rijden, dan waai je d'r in. We hebben stormweer met valwinden. Weten jullie hoeveel drenkelingen ik uit het water gehaald heb? Zeventien. Daar ben ik voor geridderd. Na twee, drie dagen gaan ze ontbinden, ze zetten op en komen bovendrijven.' We besluiten niet over de dijk te rijden. Na de rit praat ik veel. Gerard is nerveus. Toch lijkt hij te luisteren. Ik vertel hem dat ik ga samenwonen, een etage boven een hoerenkast.

V.
'Ik ben verliefd,' zegt hij. 'Op wie?' vraag ik. Hij wil het niet zeggen. Steeds slechter ziet hij eruit. Hij sport niet meer en drinkt veel. Kilometerslange wandelingen, ook 's nachts. Hij is nooit thuis. Hij heeft depressies. Dronkemanstranen: 'Ik zit in het verkeerde lijf. Ik ben verliefd op Menno.' Hij vertelt het hem. Twee dagen later ontruimt Menno zijn kamer en gaat terug naar zijn geboortedorp in Friesland.

Een paar maanden later krijg ik een briefje van hem. Menno is getrouwd. Hij schrijft: 'Het feest voor de familie in café De Freonskip was een grandioos succes.' Ik zie hem nooit meer terug in onze stad. Met Gerard gaat het niet goed. Hij komt in een gebouw met jarendertiglampen en verplegers in het wit. Ze kunnen daar niets voor hem doen. Niemand kan iets voor hem doen. Hij trekt weer in bij zijn pa en ma in Ter Apel. Als hij over zelfmoord spreekt, zegt zijn vader: 'Spring maar voor de trein. Neem dan niet de nieuwe fiets mee.' Hij doet het.

VI.
De moeder zie ik niet, de vader is er. Het licht is wit en kaal en meedogenloos. Alles is zoals het altijd is. Het ritueel redt ons. Hoe Gerard met zijn skeltertje tussen de auto's door laveerde, hoe hij zijn eerste telescoophengel verspeelde aan het water. Stopverfwoorden, naalden onder mijn nagels. Er is een rij van broers, ze schokschouderen niet. De jongste draagt de trui die hij zelf gebreid heeft. Eén keer trekt de vader een boerenzakdoek tevoorschijn en trompettert. De spreker schrikt, maar hervindt snel zijn zalvende toon, hij heeft dit duizend keer gedaan. Het wordt niet gezegd. Er wordt niets gezegd.

VII.
Drie decennia later herken ik Menno onmiddellijk. Bij het verlaten van de concertzaal kijken we elkaar per ongeluk aan. Een gesprek is onvermijdelijk. Hij wil me overtuigen dat Bach zijn Brandenburgse concerten voor het geld heeft geschreven: 'je kunt het zien aan de partituren'. Ik denk aan de talloze Bachcantates over de dood. Mir ekelt mehr zu leben. Ik zou tegen Menno kunnen zeggen dat Bach zeer naar de dood moet hebben verlangd, maar ik ben een zwijger gebleven.

Küsse aus Liebe, Küsse aus Lust
leestijd: 3 min

Er waren prachtige vrouwen op het feest. Ze waren zo lang dat ze iets gebukt door de stuurhut moesten lopen. Een vrouw met diepbruine ogen en hoog opgestoken haar vertelde dat ze een bedrijf in gefrituurde meelwormen was begonnen. Een man vroeg haar over de marktpositie en het revenuenmanagement van de meelwormen­catering, 'een hels probleem, omdat het toch een niche-markt is'. Ze lachte stralend. 'Doe mij nog eens zo'n plak serranoham afsnijden en vul dit glaasje nog eens bij!' Er was een pezige man met een zware stem. Hij vertelde over onmachtige boeren met stervende kuikens en biggen met raadselachtige ziektes. Dat ze zo'n big opensneden, keken, niks bezunders zagen en weer dichtnaaiden.

Er was ook een kleine vrouw. Ze verschanste zich achter het stuurwiel. De schipper praatte op haar in, dat kon je zien. Aan het eind van de avond was er een sfeer van grote intimiteit ontstaan, men voelde dat het wereldraadsel bijna opgelost was. De kleine vrouw ging staan. Toen ze gedecideerd het woord nam, verstomden de dronkenmans­gesprekken. 'Mensen, ik ben Sacha, ik ga voor jullie zingen.' Ze sprak met een elegant Zwitsers accent. De schipper had zijn keyboard opgesteld en sloeg de eerste maten aan. Sacha begon. 'Ich hätte gerne noch mehr Zeit verbracht, als nur diese eine nacht, mit dir... Küsse aus Liebe, Küsse aus Lust, baci d'amore, ich hab's immer schon gewußt...'

Diep in de nacht reed hij op huis aan. De melodie ging niet uit zijn hoofd. Hij zag voor zich hoe Sacha bewogen had, hoe ze zuchtte. Hoe ze uitgelegd had dat hoogte de verkeerde dimensie voor haar was, daarom wilde ze Zwitserland vergeten, toen ze in Aduarderzijl was geweest. Daar waren twee huizen, het ene en het andere. Ze ging in het ene wonen.

Slapen kon hij niet. De volgende ochtend stapte hij op zijn motor. Er was niemand op de weg. Zijn hoofd bonkte van de drank en het slaapgebrek. Hij zette zijn helm op zoals een pizzakoerier dat doet, de waterhoofdpositie. De wind had vrij spel in het lege Groninger land. Er was veel hemelwater. De weg bracht hem naar Aduarderzijl. In de verte zag hij het liggen, een withouten hek van honderden meters lang omarmde het oude sluisje waar Reitdiep en Boterdiep in elkaar vloeien. Glooiende schapenweitjes, twee witte 19e-eeuwse huisjes. Er was niemand. Hij klom het trapje naast de sluis op. Koolzaadvelden, water, weiden, meeuwen.

Hij voelde dat hij eindelijk ergens was gekomen.

Wolfheze
leestijd: 3 min

Ik was in Wolfheze, een dorp op de Veluwe. Omdat ik altijd denk dat het kloppend hart, de ziel van een gemeenschap, te vinden is in het café of in de cafetaria en omdat ik honger had, ging ik naar de cafetaria in het oude witte stationsgebouw. Terwijl ik patat at, kwam er een wankele vrouw dicht bij me staan. De kleur was uit haar haar gegroeid, ze had om de rechterpols vier meisjeskettinkjes en droeg een zware bril. Ze bestelde zwaar vloekend een kroket. Met kippenogen keek ze hoe ik mijn patat opat en zei: 'Nou, u weet er ook weg mee!'

Ik kocht nog een cola en besloot die op te drinken bij een soort dorpsbankje tegenover de patatterie. Daar zat een ongeschoren man van mijn leeftijd. Hij had een geel gezicht en zat een pijp te roken en met een stompje potlood aantekeningen in een schriftje te maken. Een minuscuul handschrift. Het speet me dat ik niet kon lezen wat er stond. 'Dat is een mooie motor,' zei hij, 'hoeveel pk?' '67,' zei ik, 'vroeger rookte ik ook pijp.' 'Aha,' zei de man. Hij had een welluidende, beschaafde stem en keek vrolijk. Maar er was iets in zijn ogen. 'In 1981 ben ik gestopt met vlees eten en begonnen met pijp roken. Het bevalt heel goed.'

Het kroketvrouwtje kwam aan de andere kant naast mij zitten. 'Godverdomme,'zei ze, 'als hij nou voor me zou staan, hier, nu, dan vilde ik hem.' Ze begon te zingen. 'Tinus op de Norton en Bertus op de BSA, oehoeoehoe.' Ze porde me in mijn zij, ik moest meezingen. Achter ons wandelde een dame met een hond in het perkje. 'Godverdomme, ga weg met die vieze hond hier!' schreeuwde ze. De dame beende schielijk weg. 'Wat voor pijptabak rookte je,' vroeg de man. 'Neptune,' zei ik, 'lekkere tabak.' 'Jij bent wel stoer hè,' zei de vrouw. 'Heb je ook wel eens een slappe?' Ik nam de laatste slok cola. 'Ik zit hier al 40 jaar vast,' zei ze opeens op vertrouwelijke toon. 'Ze zeggen dat ik me als een slet gedraag. Vroeger gingen we met hoofdzuster Kaat wandelen bij Planken Wambuis. Daar waren hekken omheen, daarom.' Ze richtte zich tot de pijproker. 'Kende je die: Kaat met de kale kut?' 'Nee,' zei hij schalks, 'wel Kaat Roggepoep. Heerlijk helder Heineken!'

Ik groette ze. De vrouw gaf me een hand vol kapotgeknepen kroket. Ik liep naar mijn motor. Uit de verte schreeuwde de vrouw. 'Je bent een vrolijke rebel! De groeten!'

Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

Paul Abels (Lonneker, 1958) is AFdH Uitgever en was eerder leraar Nederlands, antiquaar, jazzplatenhandelaar, galeriehouder, copywriter, journalist.