1. Badkuip
    (02 mei 2020)
  2. De volgende halte
    (22 februari 2020)
Badkuip
leestijd: 6 min

Vanaf de achterbank van de Volkswagen zag ik het verre uitzicht van het platteland langzaam veranderen in dichte bebossing. Toen we rond het middaguur waren vertrokken had de nazomerzon nog vriendelijk mijn huid gestreeld maar nu kreeg de wereld een blauwe gloed door de bomen die het licht blokkeerden en de schemer die traag inviel. Ik wachtte met een zwaar gemoed tot ik met mijn gezelschap (bestaande uit mijn vriend, zijn broers en hun vrienden) zou aankomen op een plek waar ik absoluut niet wilde zijn.

Niet dat ik er in geloof hoor. Ik weet zeker dat ze niet bestaan, de overgebleven zielen van overleden mensen. Dat weet ik gewoon. Spoken bestaan niet. Het menselijk lichaam is mogelijk wel iets meer dan een vernuftig gebouwde computer van biologisch materiaal, maar een ziel of geest die op de één of andere manier een aparte entiteit is, los van het lichaam, dat lijkt me hoogst onwaarschijnlijk. Toch ben ik de eerste die haar vingers in haar oren steekt en heel hard 'lalala' roept als iemand een 'waargebeurd' griezelverhaal vertelt.

De auto kwam tot stilstand op een parkeerplaatsje, ergens in the middle of nowhere. Vanaf hier gingen we te voet naar het 'spookhuis' dat we een paar weken eerder hadden opgezocht via het internet op een site met de Top Tien Engste Echte Spookhuizen van Nederland. 'Zeer agressieve entiteiten', stond bij wijze van aanbeveling op de site, voorzien van een paar foto's met zogenaamde spectrums erop, lichtvlekken die geesten moeten voorstellen, maar waarschijnlijker worden veroorzaakt door stofdeeltjes waar de flits van de camera op reflecteert. Het alternatief was een voormalige inrichting geweest voor de geesteszieken, maar dat scheen bewaakt te worden. Ik was blij toe. Dit spookhuis werd gewoon bewoond door de geest van de eigenaar die zichzelf had opgehangen. Of in de brand gezet, dat weet ik niet meer zeker. Misschien is dat ook een beetje geestesziek te noemen, maar als ik dan toch een spook tegen moet komen, dan liever een depressieve dan een gestoorde.

We navigeerden naar het huis met een gps-apparaat voor hikers. We hadden nog geen Google Maps op onze smartphones omdat we nog geen smartphones hadden, bovendien stond het huis niet op Google Maps. Met volle bepakking, tenten, slaapzakken en bier, liepen we eindeloos door de bossen. Ik hoopte dat we het huis niet zouden vinden en we gewoon ergens leuk zouden gaan wildkamperen in de bossen. Kon het toch nog een beetje gezellig worden.

Helaas. Toen de schemer inviel, doemde daar het vervallen huis op tussen de bomen. Het keek me vijandig aan, met donkere raamkozijnen als duistere ogen en een groot gapend gat in de gevel alsof het huis het uitschreeuwde. We sloegen ons kamp op waar de tuin moet zijn geweest. Ons plan om in het huis te slapen leek toch niet veilig. Niet vanwege de al dan niet aanwezige spoken, meer omdat het op instorten stond. Er werd een vuurtje gemaakt en de eerste blikken bier werden opengetrokken. Normaal gesproken zou ik zonder nadenken mee hebben gedronken, maar met bier is het zo dat ik er erg nodig van moet plassen. En als ik iets niet wilde, dan was het hier ergens in de bosjes moeten plassen.

Toen de eerste blikken bier leeg waren en de spookverhalen verteld (terwijl iemand heel storend 'lalala' erdoorheen zat te roepen), was het tijd voor een inspectie van het huis. We slopen met z'n allen, bewapend met zaklampen door en langs het huis. Als een soort angstige bordercollie keek ik vooral of de groep nog compleet was, of niemand verdween. Natuurlijk verdween er iemand. Mijn vriend. Mijn hart klopte als een razende. Niet omdat ik dacht dat hij door een 'entiteit' was meegesleurd in het diepe water in de kelder waar we zojuist waren langs gelopen, maar omdat ik wist dat hij ergens op de loer lag om iemand te laten schrikken. Het idee dat de schrik komt, maar je weet niet wanneer en van welke kant is misschien nog wel stressvoller dan de schrik wel. Mijn ademhaling zat hoog in mijn keel toen een figuur achter een muur vandaan in het raamloze kozijn wilde springen en... verdween. De figuur dat was mijn vriend, dat was duidelijk, maar waarin hij verdwenen was, was een tweede.

Er bleek een greppel rondom het huis te zijn gegraven waar hij in was gevallen. Niks aan de hand, wel pijn in zijn voet. Hij hinkelde terug naar ons kamp - de eerste regel van horror is dat het misgaat als de groep zich opsplitst riep ik in gedachten tegen mezelf - en we liepen de rest van onze ronde. 'Het is de vader' zei de enige andere vrouw in het gezelschap, mijn schoonzusje. 'Ik hoor de vader'. Ik zei niks. Ik hoef niks te weten over het wel en wee van een spookvader. Ik vroeg ook niet hoe ze 'wist' dat het een vader was. Wat ik wel wist, of dacht te weten, is dat ik vlak daarvoor een soort echo had gehoord van spelende kinderen. Dat vertelde ik natuurlijk niet, omdat ik geen mafkees wilde zijn die aanstellerig doet alsof ze spoken kan horen én omdat ik wist dat als ik het wel zou zeggen, ik de fantasie van mijn schoonzusje op hol zou laten slaan en voor je het wist zouden we allemáál spoken zien en horen. Het had zich natuurlijk allemaal in mijn verbeelding afgespeeld.

We kwamen ongeschonden terug op het kamp, waar mijn vriend gelukzalig aan een blikje bier zat te lurken en het vuur vrolijk knetterde. We staken waxinelichtjes aan en zetten die in het zichtbare deel van het huis, waardoor zich enge schaduwen vormden, maar wel verklaarbare enge schaduwen. Het werd eigenlijk best wel gezellig. We liepen nog een paar rondes door het huis en voor we gingen slapen waagde ik me zowaar aan een biertje.

Toen de volgende dag goed en wel op gang was, en iedereen weer wakker, deden we nog een ronde door het huis bij daglicht. We keken omhoog en zagen op de eerste verdieping, of waar de eerste verdieping zou moeten zijn, ingeklemd tussen twee vloerdelen een badkuip hangen, waar we in de uren daarvoor meerdere malen nietsvermoedend onderdoor waren gelopen. Het ding zag eruit alsof het elk moment naar beneden kon donderen. Dat had het die nacht niet gedaan.

De volgende halte
leestijd: 3 min

Op het station in Sauwerd, langs de lijn naar de Eemshaven en aan de kant waar reizigers opstappen om naar Groningen te gaan, daar woont Klaartje. Een vrouw van het katachtige soort, haar donkere vacht opgesierd door rossige vlekken. Zij ligt zomers uitgestrekt op de warme tegels of zoekt de relatieve koelte op van het gras naast het spoor. In de winter schuilt ze in het wachthokje of anders opgekruld op schoot bij wie het maar toestaat. Ze ziet ze komen en gaan, de reizigers, met hun hoofden over hun mobiele telefoon gebogen. Sommigen knopen een praatje aan met een medepassagier. Anderen staren voor zich uit, peinzend over de dag die ze voor zich hebben.

In de term 'zwerver' herkent Klaartje zichzelf niet. Ze is een onafhankelijk wezen met een eigen geschiedenis. Haar eerste menselijke metgezel was een alleenstaande man. Alleenstaande mannen adopteren nou eenmaal geen kinderen. Daar zou iedereen zijn wenkbrauwen over optrekken. Maar ook alleenstaande mannen voelen de behoefte om te zorgen. Om te koesteren. Om lief te hebben. In die behoefte moest Klaartje zien te voorzien. Maar zoals dat wel vaker gaat met leegten die gevuld moeten worden, was het kleine beetje dat zij vulde alleen maar een bevestiging van die diepzwarte ruimte in zijn binnenste.

Halve liters Kanon (10% alcohol) moeten de leegte wat minder peilloos diep maken, terwijl elke teug het gat vult en tegelijkertijd een beetje groter maakt. Tot er niets meer over is van de alleenstaande man. Alleen een onbestemde ruimte met een heel klein Klaartje erin.

Haar eerste menselijke metgezel zag vroegtijdig zijn onvermijdelijke einde. Een broer uit Sauwerd met een groot huis vol lege kamers ontfermde zich tegen wil en dank over haar. Sommige alleenstaande mannen willen helemaal niemand om voor te zorgen. Of te koesteren. Of lief te hebben. Daar kijkt niemand gek van op. Behalve dan als die alleenstaande man een kat heeft. Dat vinden mensen al gauw een beetje raar. Waar Klaartje eerst te klein was om een gat te vullen was zij nu een zorg te veel en nam zij dus haar intrek maar op het station in Sauwerd.

De eveneens alleenstaande broer van de alleenstaande man brengt haar brokjes en als het koud begint te worden ook een dekentje. Want hij wil dan weliswaar niet voor een ander zorgen, hij is ook geen lul. Soms legt hij beetje natvoer voor haar neer waar een lompe reiziger vervolgens in gaat staan. Af en toe slobbert een hond haar brokjes op. Dan zie je nog waar de brokjes lagen aan een grote natte kwijlvlek op de tegels.

Haar aanwezigheid op het station is zo vanzelfsprekend geworden dat niemand meer weet dat Klaartje daar ooit niet woonde. En niemand kan zich voorstellen dat ze daar op een dag niet meer zal zijn. Niemand zal haar missen als ze er niet meer is.

Eén halte verder, op het station in Winsum, woont trouwens ook een kat.

Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

Rosa Veldman (Groningen, 1990) schrijft sinds haar tiende levensjaar verhalen. Inmiddels bestaat haar oeuvre uit circa vijftien romans die allemaal nog geschreven moeten worden. In het dagelijks leven maakt zij reclame voor toneelstukken.