1. Isopoda
    (13 april 2024)
  2. Moeders in de bus
    (25 november 2023)
Isopoda
leestijd: 7 min

Het begon met een snotneus en een dikke keel. 'Dan moet je vandaag maar niet naar school, jongen', waarna mama al snel een beschuitje met hagelslag begint te smeren. Zo erg vindt Igor het niet, hoewel hij zich wel echt beroerd voelt. Een paracetamolletje en mama's beschuit zullen veel verzachten, en met de gedachte aan kanaal 24 ligt er wellicht toch een leuke dag in het verschiet. De afstandsbediening tovert in luttele seconden Australië de huiskamer binnen. Een lange man staat met een gigantische vishengel een barramundi binnen te halen, onderwijl Yibbedy yibbeda zingend. Igor ziet intussen vanuit zijn ooghoek een pissebed onder de bank uit kruipen. Beetje vreemd wel, maar Igor heeft een zwak voor diertjes die naar zijn idee te vaak als smerige insecten worden weggezet.

Rex Hunt, de lange man op tv, die de barramundi inmiddels vol op de vissenkop heeft gekust, geleidt het dier liefdevol terug de lauwwarme wateren van New South Wales in. Een beetje groggy kiest de vis het hazenpad, waarna via een leadertje wordt overgeschakeld naar Iain Hewitson, de tonnetjeronde kok die in iedere uitzending een visgerecht bereidt, ergens op locatie in the land down under. Wat een wereld ligt er toch te wachten, die Igor nooit zal zien, behalve via kanaal 24. Mensen van buitenaf zullen zeggen dat Igor en zijn moeder een bevreemdende verhouding hebben. Hij is de zestien al royaal gepasseerd, heeft baardgroei, en beharing op andere locaties, maar nog altijd dat zorgbehoevende van een klein kind; laat zijn moeder maar wat graag beschuitjes met hagelslag voor hem maken. Eigenlijk is hij niet eens dol op beschuit, zo'n typisch voedsel voor zwakke types en yoga-vrouwtjes op bakfietsen. Niettemin zet hij zijn stemmetje op, om te vragen of het al opschiet met de beschuit en het glas Dubbelfriss. Moeder komt de kamer binnen snellen, slaafs bijna, en zet het bord met een devoot gebaar op het kleine rotantafeltje, dat ze even daarvoor al bij Igors plekje op de bank heeft gezet. 'Ah daar is onze Rexie weer', zegt ze, de kloeke visserman op tv gadeslaand. Moeder kent haar pappenheimers; van formule 1-coureurs tot Russische tennismeisjes, alles wat Igor bezighoudt.

Igor laat weten dat ze in zijn blikveld staat. Een tweede pissebed scharrelt voorbij en loopt in de richting van het kastdeurtje waarachter de atlassen staan. Tussen de junior Bosatlas en de Grote Satellietatlas verdwijnt hij uit beeld. Ergens in een kamer in zijn hoofd besluit Igor de pissebed Roel te noemen. Een pissebed die tussen atlassen verdwijnt moet een bereisde Roel zijn! Hij besluit zijn zere tong en keel dan maar te wagen aan een hap van de beschuit met hagelslag. Een onevenredig groot percentage hagels blijft hangen in zijn vlassige snorharen. Dromend van een stoere vikingbaard veegt Igor ze met een geagiteerd gebaar af aan de mouw van zijn badstoffen ochtendjas, die hij ongetwijfeld heel de dag zal blijven dragen, al was het maar om het gevoel van ziekte en de hang naar vertroeteling te koesteren. Wordt er ooit een prijs voor puberale hypochondrie uitgeloofd, Igor zal hem winnen!

Als moeder even naar boven gaat om haar pilletje in te nemen, dat pilletje dat altijd met zo'n karakteristiek geluid in het plastic bekertje klettert, besluit Igor even op te staan om te kijken of hij de pissebed nog ziet. Met zijn slof tikt hij tegen het kastdeurtje, waarop tot zijn verbazing niet één maar een hele stamboom aan pissebedden van verschillend pluimage uiteenstuift langs de rand van de kast. Sommigen verkiezen te blijven liggen en te doen alsof ze dood zijn, terwijl anderen in zeven haasten het vege lijf trachten te redden. Igor is niet van zins ze ook maar een schild te krenken, hij hoopt alleen vurig dat als vader thuiskomt, deze de kleine proto-kreeftjes niet zal zien, omdat hij dan onmiddellijk weer aan zal komen met spuitbussen, gifkorrels,  paardenmiddelen die de hele utopie van een kolonie wezentjes achter de atlassen alras zal beëindigen. Snel gaat Igor weer zitten op de bank. Niets tegen moeder zeggen. Die zal ze ongetwijfeld ook ongemoeid laten, maar wel in geuren en kleuren de boel aan vader verraden. Zou een pissebed weten wie hij kan vertrouwen? Igor schudt er nog snel eentje los, die probeert op zijn slof mee te liften naar veiliger oorden. Het diertje spartelt op zijn rug, totdat Igor het met zijn nagel rechtop zet. 'Toe maar vriendje' fluistert hij.

Bij de gedachte aan de krioelende kolonie maakt een vreemd soort rust zich meester van Igor. Zo veel mensen bij elkaar maken hem altijd nerveus, maar een strak georganiseerde samenleving van diertjes haalt het beste in hem naar boven. Hij kan ieder individuutje onderscheiden, ziet specifieke kleurstellingen in wat voor ieder ander een heleboel grijs lijkt, en kan bijkans voelsprietjes horen ruisen in een vreedzame cadans van waarnemen, aftasten, inschatten. Moeder komt de kamer weer binnen, kijkt hem nog eens aan en vraagt of hij zich wat beter voelt. Igor kreunt, gaat verzitten en wijst naar de karikatureske visserman die nu in beeld verschijnt; Bushy, de kleine rechterhand van Hunt, die een snor draagt die groter lijkt dan zijn hele gezicht, en zijn ogen altijd verbergt achter een spiegelende polaroid en een lijp vissershoedje. Igor heeft al sinds zijn kleutertijd een zwak voor sidekicks, helpers en karakteristieke schertsfiguren. Moeder en Igor lachen, zoals ze dat altijd doen, op een samenzweerderige manier, die vader steevast ervaart als buitensluiting, een soort geheimtaal gebaseerd op een navelstreng die maar niet doorgeknipt wil worden.

In gedachten ziet Igor de pissebedden slapen tussen Afrika en Azië, in de atlas die hij al zo vaak heeft doorgebladerd. Zou een pissebed moe worden na een vlucht van veertig centimeter? De onrust knijpt zijn brein samen. "Mama, we hebben het toch gezellig", vraagt Igor met zijn sonore mannenstem die soms nog wat instabiel zijn stembanden verlaat. Moeder heeft intussen de aardappels gepakt en begint in moordend tempo te schillen. Om de zoveel seconden een plons van een aardappel die in het pannetje water valt. "Zeker jongetje", zegt moeder terwijl ze vliegensvlug een schilletje in de daarvoor bestemde bak gooit. Igor pakt de encyclopedie en bladert. Paardenbloem...pestepidemie...plaaginsect...te ver, ja daar! 'Pissebedden (Isopoda) vormen een van de weinige ordes van schaaldieren waarvan er soorten op het land voorkomen. Het is een zeer diverse groep, waarvan de meeste soorten in zee leven, maar sommige soorten hebben zich aangepast aan het leven op land.' Niets wordt vermeld over eventuele biotopen in de huiselijke sfeer, laat staan in atlassen. Tot zijn ontzetting ziet Igor een moment later een pissebed over de snor van Bushy lopen. Blijkbaar kunnen die kleintjes ook steilewandklimmen op de tv. Vurig hoopt hij dat moeder het niet ziet. 'Vlucht, onwetende!'. Moeder lijkt te geconcentreerd over haar aardappels gebogen en het diertje wandelt doodleuk over het logo van kanaal 24, rechtsboven in beeld. Igor merkt op dat zijn voeten pijnlijk hard aan beginnen te voelen. Opspelende lichaamsdelen moet je leren negeren, vindt Igor, dus laat hij de harde voeten maar wat ze zijn. Fleece dekentje over en verder met de Fishing adventures. Hij voelt plotseling de drang om zich volledig te verplaatsen in het wezen van de vis. Wie geen voeten heeft en toch vooruitkomt, is een evolutionair genie! Zoals slangen en slakken. 'Wat je niet hebt, kan ook niet hard aanvoelen, dus vrouwen en vissen zijn gezegend', denkt Igor.

Nu hij zo thuis is van school, voelt de instinctmatige afkeer van alles wat pubergedrag is, nog uitgesprokener dan anders. De praatzieke meisjes, de ontluikende torsootjes met baarden in de keel en aanzwellende libido's. Igor kan er niets mee! In de pauzes staat hij meestal bij 'de viskom' waarin de conciërges zetelen om met deze twee heren op leeftijd van gedachten ten wisselen over dode filosofen en de aandelenkoersen. Igor zal, als hij over 2 jaar examen doet, niemand uit zijn klas missen. De pissebedden achter de atlas zijn in feite nog waardevoller dan het crapuul dat zich heden ten dage leerling durft te noemen. Moeder komt weer binnen, in de weer met haar theeservies. Ze heeft een bonte verzameling kopjes die volgens haar leuk zijn. Als Igor dan zegt dat hij het vooral belangrijk acht dat ze functioneel zijn als drager van de vloeistof thee, reageert ze meestal als door een wesp gestoken dat hij een rigide jongeling is. Op dit moment heeft hij de behoefte tot het maken van bijdehante opmerkingen niet, omdat zijn algehele malaisegevoel overheerst. Die harde voeten zijn net de druppel om zelfs het kijken naar Kanaal 24 niet meer echt leuk te vinden. Nu hij hierover nadenkt; zijn enkels beginnen zoetjesaan ook verdomd hard aan te voelen. Alsof de gewrichten in een laag vers beton verankerd staan. Moeder kijkt hem lachend aan en zegt dat zijn kapsel grappig zit, alsof hij boven zijn haarlijn twee uitstekende lokken in de vorm van voelsprieten heeft. Igor ziet er de humor niet van in. Zieke mensen zien er toch nooit op hun paasbest uit, waarom moet moeder nu zijn gevoel van welbevinden nu nog verder ondermijnen? 

Moeders in de bus
leestijd: 4 min

Zojuist ben ik in een streekbus gestapt die voor tachtig procent is gevuld met mensen die net over de finish van een 4 mijl lange hardloopwedstrijd tussen Haren en Groningen zijn gekomen. Hun bezwete lijven opeengepakt als een niet zo welriekend blikje sardientjes. De startnummers nog op de borst en de verdiende medailles om de nek. In de bus zit ook de moeder van Dylano. Dylano zelf is er niet, maar ik kan zien dat de betreffende vrouw de moeder van Dylano is omdat er met grote sierlijke letters Dylano in haar nek getatoeëerd staat. De deuren van de bus gaan niet direct dicht wanneer de laatste passagier instapt. De chauffeur geeft instructies. Dylano's moeder treedt spontaan op als zijn spreekbuis en tettert door het 18 meter lange vehikel dat mensen ruimte moeten maken en vooral niet onder de seeenn-sorrr moeten gaan staan. Ze heeft een stem als een stompe kaasrasp die dwars door je vel heen gaat en bloedende weerhaakjes achterlaat. Mochten ze bij de brandweer iemand zoeken om keihard 'braaaaand' te roepen, krijgt zij zonder sollicitatieprocedure de baan.

Naast mij zit Finn. Finn is 5 jaar oud en nieuwsgierig van aard. Hij vraagt zich af waar ik van plan ben uit te stappen. Zijn moeder licht toe: 'hij wil straks graag bij het raam zitten'. Ik geef aan er bij Haren uit te moeten, en Finn begint te stralen, hij moet naar halte Annen Hunebed en heeft dus nog royaal tijd om op het door mij voorverwarmde plekje plaats te nemen. Hij vindt het maar wat fascinerend dat er zoveel startnummers en medailles in de bus te zien zijn en complimenteert mij met de geleverde prestatie: 'goed gedaan hoor, je hebt zelfs een medaille gewonnen!' Zijn moeder lacht naar me. Finn werpt intussen een blik op de medaille en ziet de grote 4 in het midden (de 4 die de afstand van 4 mijl representeert). Zijn pientere koppie concludeert dat ik 4e ben geworden in de race. 'Ik wou dat het waar was', zeg ik. Zijn mama en ik lachen. Ze legt uit dat het over de afstand gaat. Ik drink uit een flesje Vitamin Well Reload en de grijpgrage handjes van Finn trekken een zakje naturel chips van Lays leeg. Ik leg hem uit dat meedoen altijd belangrijker is dan winnen. Ik heb dan misschien een medaille, maar hij heeft lekkere chippies en daar kan ik niet tegenop. Meteen reikt hij me een zorgvuldig geselecteerd chipje aan: 'Chipje?', zegt hij. Ik zeg dat ik dat lief van hem vind. Hij bekijkt me nog eens aandachtig. 'Jij lijkt een beetje op tante Truus.' Ik zeg dat ik hem een beetje op Ome Keesie vind lijken. Er wordt gelachen. Mama noch ik kennen een tante Truus of Ome Keesie.

Hij vraagt zich inmiddels af hoe ik dan wel mag heten. Ik wijs op mijn startnummer, 18.703 en zeg dat mijn naam er onder staat, maar Finn kan nog niet lezen. 'Weet je dan wel hoe zij heet?', vraagt hij, wijzend op zijn moeder. Ik zeg dat zij wel mama moet heten, alle moeders heten immers mama. Finn staat versteld van zoveel kennis. Hij vergeet van de weeromstuit te vertellen wat haar gewonemensennaam is. De moeder van Dylano zet het, een paar stoelen verder, inmiddels wederom op een brullen: 'Weeeeg vaaaan die seeensor.' Haar wangen trillen op en neer van het volume. De vermeende dader van het recht onder de sensor staan roept terug dat ze even rustig moet doen. Als door een wesp gestoken reageert ze: 'Ruuustaaag?! Wat rustaag? Mafkees! Heeft zeker geen seks gehad vannacht...' Een aantal medailledragers moet lachen. Finn vraagt zich af wat ze zo grappig vinden. Zijn moeder zegt dat er vandaag een hoop grappenmakers in de bus zitten. De chauffeur stopt bij halte Haren, langs de A28. Ik geef Finn een high five, hij schuift direct op mijn plekje en ik zeg 'doei Finn', wetende dat hij het getroffen heeft. Dylano heeft minder geluk.

Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

Sacha Landkroon (1984) is vader en zoon maar geen heilige geest; hij is uithouder, voortzetter en doorloper. Dichter en verder. In 2023 was hij, met de redactie van het Drents letterkundig tijdschrift 'Roet' medewinnaar van de Streektaalprijs van Dagblad van het Noorden; in 2016 won hij het Hendrik de Vriesstipendium van de gemeente Groningen en in 2009-2010 was hij een jaar lang huisdichter van de RUG. Hij trad op op festivals als Terug naar het begin, Zwarte Cross, Grasnapolsky en bevrijdingsfestival Drenthe. Vier keer trad hij op bij Dichters in de Prinsentuin. Twee dichtbundels en een bloemlezing schreef hij naast talloze publicaties in tijdschriften, op websites en in verzamelbundels.