1. Lang zal ze leven
    (20 maart 2021)
  2. Niet van hier
    (05 december 2020)
  3. Sneeuwbillen
    (25 april 2020)
  4. Karnemelk
    (14 maart 2020)
  5. Kwikstaart
    (22 februari 2020)
Lang zal ze leven
leestijd: 2 min

Ik zit hier heel alleen jarig te wezen... Nou ja alleen... Sam en Puck kan ik niet uitvlakken, mijn geërfde ouwe chihuahua's houden mij gezelschap op deze tweede verjaardag tijdens een lockdown. Uitgerekend in de week voor het grote feest voor mijn 65ste verjaardag vorig jaar viel in ons land de eerste coronadode en kondigde Rutte de allereerste Persconferentie aan. Handen schudden was toen al verboden. Na die coronadode zegden mijn feestgangers een voor een af. 'Misschien toch verstandiger...' Uiteindelijk besloot ik het hele feest maar af te blazen. Flink balend, dat wel. Het had mij een hoop wikken en wegen gekost om überhaupt tot een feest te besluiten. Die verdomde Vissen ook, die elk hun eigen kant op zwemmen!

Op de dag zelf leek het me beter om toch naar het Beloofde Land te gaan voor het geval mijn afzegging niet iedereen had bereikt. Een paar dappere vrienden sloten zich aan en voor ik het wist stond dat kleine café op zijn kop en dansten we, elkaar omhelzend, met de muziek mee blèrend, en ontstond er bijna een heus bargevecht om een pizza. Een aquascept wilde zich ervan verzekeren dat er geen vis op de pizza zat en stak zijn neus erin, waarop een aangeschoten creatief dat niet normaal vond en smerig en asociaal. Vermanend moest ik ze toespreken. Een beter feest had ik me niet kunnen wensen. En niemand kreeg corona.

En vandaag word ik zomaar 66! Vooralsnog medicijnvrij, wie doet me dat na? Op zich al een reden tot feest. Helemaal ongeschonden ben ik er natuurlijk niet uitgekomen, uit die eerste 66 jaar, waarvan ik mij er zeker 25 tot de beroepsmatige alcoholisten mocht rekenen, vanwege een horecabestaan voor en achter de bar. En met een lichaam dat de laatste 30 jaar al dagelijks zo veel pijn doet dat ik wel eens denk, hoe lang nog? Niet dat ik definitief dood wil, hell no! Maar wat zou ik graag een ander lijf voor mijn verjaardag willen krijgen. Met hetzelfde uiterlijk overigens, daarover hoor je mij niet klagen. Zelfs niet over die hangende dijen van Babylon, betepelde zakjes en buik vol craquelé waar het melkmeisje van Vermeer een puntje aan kan zuigen. Zwaartekracht ja. En ik heb al een man...

Een paar weken geleden las ik dat er voor fybromyalgie eindelijk een medische oorzaak is gevonden. Iets met het zenuwstelsel dat de spieren niet afremt waardoor die constant onder spanning staan. Niet langer zo'n vage aandoening - het zal wel stress zijn - voor gevoelige typjes, vrouwentypjes vooral. Dertig jaar lang voelde ik mij zo. Het moest wel psychisch zijn, een lichamelijke oorzaak voor de pijn werd nooit eerder gevonden. Eureka! Eindelijk erkenning (de pijn is er niet minder om)!

Toch ook dit jaar geen feest in traditionele zin. Geen dans- en schranspartij, geen cock- en mocktails. Maar wel een 'Lang zal ze leven' om zes uur 's ochtends. Vijftig berichtjes via allerlei digitale kanalen. Een turquoise legging van mijn favoriete winkel, het Winkelhuis in Leens. 'Het rimpelperspectief' van Hans Dorrestijn met als ondertitel 'Hoe overleef ik de oude dag?'. Bij het lezen waarvan je het liefst meteen al in je kist gaat liggen. Filmpjes van vrienden wiens gezichten op Wombo AI-liedjes zingen, waarvan Vriend zich afvraagt wat volwassenen beweegt om zich op die manier te profileren. En met mislukte, maar overheerlijke rabarbercheesecake.

Niet van hier
leestijd: 3 min

Voor mij uit fietst een vrouw met een korte grijzende coupe van het type, 's ochtends geen werk van. Bij de aanblik van een wachtrij op de stoep van een bekende Zwolse banketbakkerij, roept ze joviaal naar een van de wachtenden: 'Gelukkig is het mooi weer!' De man kijkt verbaasd op van zijn mobiel.

Ik kom bij mijn moeder vandaan. Waarschijnlijk ben ik de enige die haar in coronatijd nog aanraakt en kust. 'Nou én, als ik ziek word en doodga,' zegt ze stoer. Hoewel ik stiekem denk dat ze het ook wel een beetje meent. Steeds vaker begroet ze me met de woorden 'je moet niet zo oud worden als ik hoor...'. Zesennegentig is ze. Het staat met grote papieren letters op het raam geplakt. Mijn moeder maakt zich zorgen of ik wel genoeg oranje papier over heb om op 2 april 2021 de zes door een zeven te vervangen.

De vrouw rijdt voor me uit in de richting van het station. De logeerpartij bij mijn moeder zit er voor deze week weer op. Ik ga naar huis. Met de trein. De laatste keer dat ik met de auto naar Zwolle ging, kreeg ik een paniekaanval achter het stuur. Met frisse tegenzin was ik al aan de rit begonnen. Slechte nachtrust en stromende regen. Toen ik in Heerenveen de afslag Zwolle miste en door moest rijden naar Joure, kroop er een tinteling in mijn aderen, die bezitnam van mijn gezond verstand. Mijn hart bonsde onregelmatig in mijn keel en ik moest ineens nodig poepen. Die twee hoorden sinds kort bij elkaar, poepen en paniek. Nog nooit was ik zo blij een gele M hoog boven een industriegebied te zien uitsteken. De redding was nabij. Het bloed gierde door mijn aderen toen ik de McDonald's binnenwankelde. Panisch keek ik om me heen. Het restaurant was alleen open voor afhaal, maar daar was blijkbaar niemand van op de hoogte. Er was geen kipnugget te bekennen.

Van de medewerkster, die wat mij betreft kon fluiten naar de titel medewerker van de maand, mocht ik alleen van het toilet gebruikmaken als ik iets bestelde om af te halen. Het dreigde mij dun door de broek te lopen en het gevoel in elkaar te storten werd met de seconde sterker. Een flesje water dan maar. Na de ontlading en met een plastic zakje om in te ademen, keerde ik om en reed bibberend terug naar huis. Mijn moeder belde ik af. Daarom ben ik nu met de trein.

Op het Ter Pelkwijkpark draait de vrouw met de makkelijke coupe zich naar me om. 'Weet u de Van Lierstraat?' De naam komt me niet bekend voor, dus moet ik haar teleurstellen. 'Weet u dan misschien makelaar Van der Velde?' Ook nu gaat er geen lampje branden. 'Waarom niet?', vraagt de vrouw ongegeneerd en ik begin te vermoeden dat ze niet zonder meer joviaal is. 'Ik ben niet van hier,' lieg ik om ervan af te zijn. Ik ben wel van hier. Maar toch ook alweer 47 jaar niet. 'Waar ben je dan wel van?' Wil ze ook nog weten! 'Van Groningen,' roep ik. Dat zal de ondervraging wel afsluiten. Maar mevrouw heeft nog een wijsheid in pacht die ze graag wil delen. 'Je bent niet van Groningen, je bent van jezelf!' zegt ze vergenoegd grijnzend. Daar valt weinig tegenin te brengen, behalve dat ik vooralsnog ook nog altijd een beetje van mijn moeder ben.

Sneeuwbillen
leestijd: 6 min

Of ik mee ging schaatsen, vroeg vriendje Gijs. Het had al een paar weken gevroren en zelfs het Zwarte Water zat dicht. Toen hij me vroeg nam ik dan ook aan dat we net als de andere kinderen van clubhuis de Klooienberg het Zwarte Water achter de dijk zouden verkennen. Maar Gijs had andere plannen. Hij wilde exclusiviteit met mij. We gingen immers met elkaar en dan had je geen pottenkijkers nodig.

Mijn vader had het niet zo op Gijs. Mister Cellotape noemde hij hem schertsend, omdat Gijs op zaterdagavond op de bank voor de buis altijd zijn arm om mij heen sloeg. Geheel onschuldig, dacht ik. Die arm was een doorn in het oog van mijn vader. Het waren dit soort armen waartegen hij mij wilde beschermen. Dit soort armen waarom hij mij uit het clubhuis haalde en naar huis trapte. Waarvoor hij zich dan later weer verontschuldigde door zijn eigen armen iets te stevig om mij heen te slaan.

Toen Gijs me kwam halen zaten we nog aan het ontbijt met het hele gezin. Voordat mijn broers vervelende opmerkingen konden maken, schrokte ik mijn laatste stuk brood naar binnen en stond op om mijn schaatsen te pakken. Grote witte kunstschaatsen die zo bot waren dat ik er beter mee achteruit kon schaatsen dan vooruit, maar ze stonden zo elegant. Gijs was met de fiets en ik mocht achterop. Dat leek me geen goed idee, stilzitten in deze vrieskou. Dus pakte ik mijn eigen fiets uit het souterrain. Lichtelijk teleurgesteld fietste Gijs naast me. Ik keek naar hem. Zijn pukkelige wangen waren nog roder dan anders. Het vette slierterige haar was te lang om netjes, en te kort om hip te zijn. Zijn lippen waren altijd vochtig, alsof hij leed aan overtollige speekselvorming. Een zwarte soulbroek met wijde pijpen en gespjes op de heupen en een strak, felgeel tricot truitje met lakplastic vetersluiting was zijn favoriete outfit. Volgens de laatste soulkikkermode. Dat vond ik aantrekkelijk aan hem, zijn verschijning. Van zijn intellect hoefde ik het niet te hebben. Hij was gestopt met de lts om in de groentezaak van zijn vader te gaan werken en had geen enkele andere ambitie of interesse. De boeken die ik verslond, de gedichten die ik schreef, ik hoefde er met hem niet over te beginnen. Hij zou me niet begrijpend aankijken. Ik probeerde het niet eens.

We fietsten in de richting van de stal waar ik de clubhuispaarden altijd verzorgde. Wat valt daar nou te schaatsen?, schoot het door me heen. Maar bij de stal aangekomen trapte Gijs in hetzelfde tempo voort, totdat we bij een brede sloot aankwamen ergens midden in het land. Zo ver voorbij de stal was ik nog nooit geweest. `Zet je fiets daar maar neer,' zei het vriendje en wees op het gammele houten hek van een aangrenzend weiland. Zelf zette hij zijn fiets tegen een boom, die licht over de sloot helde. Gezeten op een kale stronk bond hij zijn Friese doorlopers onder. Ik bleef erbij staan terwijl ik onhandig mijn laarzen uit en mijn kunstschaatsen aan deed. Ons schoeisel verborgen we onder de bosjes langs de slootkant.

Gijs nam mijn hand en trok me het ijs op. Hij ging voorop, hij kende de weg. De eerste sloot was breed genoeg om forse slagen te maken, al had ik zo weinig glijvermogen in mijn ijzers dat ik veel en korte slagen moest maken om vooruit te komen. De winterharde halmen langs de slootkant waren berijpt en een witte donsdeken met hier en daar een bruine vlek en een groen grassprietje bedekte de weilanden. Ik waande mij in een schilderij van Pieter Brueghel. Mijn wangen kleurden sterappelrood en de frisse lucht sneed aangenaam door mijn keel. Op de slootjes die te smal waren voor twee, schaatste ik achter Gijs aan. Waar gingen we helemaal heen? Ik had geen idee waar ik was. De vele korte slagen die ik moest maken met mijn dunne puberbenen begonnen hun tol te eisen. Ik raakte steeds verder achterop.

Bij een groepje knotwilgen stopte Gijs en keek om waar ik bleef. `Zullen we even stoppen?' vroeg hij. Hij ging op de slootkant zitten. Dankbaar knikte ik ja. Maar ik zat nog niet of hij begon me met zijn koude, vochtige mond te kussen. Binnen no time zat mijn halve gezicht onder zijn speeksel. De geur van zijn ademwolkjes kon ik niet thuisbrengen, maar echt aangenaam vond ik hem niet. Bij de eerste de beste adempauze wendde ik mijn gezicht af. Gijs liet zich echter niet afpoeieren. Met zijn intussen onthandschoende handen greep hij onder mijn jas naar de sluiting van mijn zwarte wollen broek. Die wist hij met een hand te ontsluiten. En ook de maillot die ik eronder aan had, trok hij pardoes over mijn smalle heupen naar beneden. Ik voelde hoe de sneeuw mijn billen afkoelde en vervolgens verschroeide. Sneeuwbillen, dacht ik. Geen sneeuwballen maar sneeuwbillen. Voor ik het doorhad duwde Gijs me met mijn rug in de slootkant en kroop hij bovenop me. Met zijn schaatsen diagonaal zette hij zich schrap op het ijs van de sloot. Wat maakte hij rare geluiden, alsof hij pijn had, of heel hard zat te drukken tijdens het poepen. Tegen de binnenkant van mijn linkerdij drukte een warm stomp voorwerp, waar kwam dat nou vandaan? En wat was het? Gijs duwde zijn onderlichaam met ritmische bewegingen tegen mijn ontblote dijen. Dertien was ik en ik had de boekjes `Jongens vragen' en `Meisjes vragen', die wij van mijn ouders hadden gekregen bij wijze van seksuele voorlichting, nog niet gelezen. Toch drong het tot me door dat hier iets gebeurde waarvan ik de gevolgen niet kon overzien.

Ik wrong me onder Gijs vandaan, hees mijn maillot op en ritste mijn soulbroek dicht. Met knikkende knieën begon ik in de richting te schaatsen waar we vandaan waren gekomen. In de verte zag ik een boerderij die ik meende te herkennen als de paardenstal. Zonder omkijken schaatste ik zo snel ik kon, maar op een gegeven moment haalde Gijs me toch in. Zwijgend ging hij voor me rijden en ik volgde hem tot aan onze fietsen. Op de terugweg begon hij over koetjes en kalfjes alsof hij niet zojuist had geprobeerd mijn maagdenvlies te breken. Ik reageerde niet, in gedachten verzonken. Had ik hem zijn gang moeten laten gaan? Wat was er dan eigenlijk gebeurd? Had ik hem moeten slaan? Ik wist het niet.

Een week later maakte ik het uit. Niet zozeer vanwege de sneeuwbillenaffaire. Hij was op zaterdagavond binnengekomen in een pak. Een pak! En een lelijk pak ook nog. Een ouwelijk pak dat niet paste en niet stond. Nee, dát kon toch echt niet.

Karnemelk
leestijd: 3 min

Na weer een slechte nacht waarin ik als enig lichtpuntje 'Quadrilla' van Ferdinand Springer maar uitlas, moet ik weer aan het werk. De kerstvakantie is voorbij. Twee weken lang heb ik scenario's bedacht waarin ik niet meer hoef te werken, maar wel volledig word doorbetaald en concludeer: Alle dromen zijn bedrog. Nu het eind van mijn werkzame leven in zicht is, is de motivatie om op tijd naar bed te gaan en in alle donkerte op te staan, ver te zoeken. 65 jaar als pensioenleeftijd zit nog in de genen van mijn generatie ingebakken. Nooit geweten dat je zo aan pensioen toe kunt zijn.

Op kantoor hangt een jolige sfeer. Ondanks driekoningen worden er nieuwjaarswensen uitgesproken en informeert men belangstellend of de kerst is overleefd. Zal ik het gaan missen? Onderdeel te zijn van een team met een gemeenschappelijke doelstelling? Monumentale kerken behouden voor een nageslacht that could'nt care less. De volle inbox gunt me de rest van de dag weinig gelegenheid tot zelfmedelijden.

Stipt half een ren ik de kantoordeur uit, naar de markt. Bewegen, ademhalen! Een collega is getuige van mijn aankopen van niet biologische paksoi, groene asperges, avocado's, limoenen, kiwi's, Chinese kool en ander gezonds. Ter ondersteuning van de goede voornemens. Minder suiker! Een heuse junk ben ik gebleken. De suikerverslaving ga ik te lijf met groentjes en fruit. Als bijwerking hoop ik dat vriendlief ervan afvalt. Hij is te dik.

De schoonmoeder van een andere collega is aangevallen door een vleesetende bacterie en ligt in coma in het ziekenhuis. Gisteren nog kerngezond... Hoe loop je zoiets op? Kun je het voorkomen? Wanneer ben ik aan de beurt? De collega heeft meer rampspoed in de familiesfeer dan één mens aankan. Toch is ze nog aan het werk. Al moet ze af en toe een minutieuze monoloog houden over het wel, maar meer het wee van haar naasten. Wat kun je zeggen? Arme meid, sterkte ermee. Blijf ademhalen en loop eens op en neer naar de markt. Koop een kilo druiven. Of spruitjes. Wat voor jou werkt.

Mijn eerste werkdag zit er weer op. De inbox is nog niet leeg. Heb ik morgen ook voldoende afleiding om het pensioenverlangen te onderdrukken.

Ik loop de Albert Heijn aan de Vismarkt binnen. Havermout en karnemelk nodig. Bij de zoute stokjes de andere kant op kijken. Ook daar zit suiker in. Al verwacht je dat niet. Bij het automatisch afrekenen de korte bon weer eens in de kassa laten zitten. Gelukkig nog geen volgende klant.

Buiten op de vochtige stenen trap zit een grijsaard met onverzorgd uiterlijk luidkeels te zingen. Operawaardige uithalen, afgewisseld met onvast en schor gekras. Het duurt even voor ik het Grunnigs Laid erin herken. Alsof er een singletje wordt afgespeeld op 33 toeren. Vóór hem op de grond ligt een zadelhoesje, ondersteboven met een paar muntstukken erin. Hij doet zijn best en tot mijn pensioen kan ik best wat missen. Vanaf veilige afstand mik ik een eurostuk naar het hoesje. De munt mist doel en stuitert de trap af. Abrupt staakt de man zijn voorstelling. Ik ren de euro achterna en deponeer hem, met het schaamrood op de kaken, alsnog in het zadelhoesje. `Dank je.' De zanger richt zijn hoofd op en kijkt me met bloeddoorlopen ogen uitdrukkingsloos aan om vervolgens uit volle borst zijn cover van het Gronings volkslied te hervatten.

Thuisgekomen drink ik een glas koude karnemelk.

Kwikstaart
leestijd: 4 min

Op de rand van de vijver dribbelt een kwikstaart besluiteloos heen en weer. Het staartje wipt driftig op en neer terwijl het koppie alle kanten om hem heen verkent. Zal ik of zal ik niet, lijkt de kleine grijswitte vogel te overwegen. Zijn snavel staat opengesperd alsof hij zit te hijgen. Het is weliswaar warm, maar zeker langs de vijver waait er een aangenaam verkoelende wind. Hijgen vogels überhaupt? Op een dikke droge kluit staat de kwikstaart stil. Hij, of misschien wel zij, ik zou het verschil niet weten, begint zijn tooi te verzorgen. Eerst verdwijnt het koppie onder de linkervleugel, dan zijn de borstveren aan de beurt en vervolgens wordt de rechtervleugel aangepakt. Met doeltreffende staccato bewegingen. Als de tooi naar tevredenheid is kijkt het vogeltje om zich heen. Wat zal ik nu eens gaan doen, wie zal ik nu eens gaan vervelen, lijkt het te denken. Maar vogels denken niet, dat doen wij voor ze. Wij dichten ze van alles toe, eigenschappen die we zelf ontberen of waarmee we juist zijn behept. Je kan het zo gek niet bedenken of wij, almachtige zoogdieren op twee poten schrijven het aan andere levende wezens toe.

Het kwikstaartje overweegt nog even of het een frisse duik in de vijver zal nemen, maar spreidt zijn vleugels en vliegt weg.

Verschanst achter een meidoorn met een zieltogende clematis erin sla ik het tafereeltje aan de waterkant gade. Mijn zicht wordt enigszins belemmerd door een door ongedierte gehavende zaailing van een esdoorn en een plukje wilde klaprozen die met hun ranke stengels houvast vinden tegen een jonge scheut van de meidoorn. Links van mij ligt mijn moestuin er mooi bij. En dan niet zoals een pas gestorvene er mooi bij kan liggen, afhankelijk van de doodsoorzaak, de tuin is één groot teken van leven. De goudsbloemen blaken van oranje, de saffraangele afrikaantjes met hun donkerrode harten spreiden een en al vrolijkheid ten toon. Aardbeienstekjes richten zich dapper naar de zon.

Ook aan aardbeienplanten kennen wij menselijke karaktertrekken toe. Koolwitjes dwarrelen van bloem tot bloem. Er vormen zich spruiten in de oksels van de spruitkool. De pompoen die vorige week nog een omtrek had van 10 cm, is vervijfvoudigd. Zure kruisbessen en zoete frambozen vullen de magen van jonge merels wier verenkleed bol staan van babyvet. Over het hek waartegen het kleinfruit staat, hangt achteloos mijn weinig verhullende badpak te drogen na een duik in de vijver. De snit van de zwemkledij benadrukt mijn sterke kanten, mijn brede schouderpartij en mijn kleine borsten die de tand des tijds manmoedig hebben doorstaan. Ook lichaamsdelen ontkomen niet aan karakteristieke toedichtingen.

Hoe lang nog, denk ik. Hoe lang kan ik hier nog van genieten. Hoe lang tot Gyp door heeft dat wij toch wel erg verschillen. Tot de roze bril helder is geworden en hij ziet hoe mijn huid steeds slapper wordt en dat lekkere zachte buikje niet langer zacht maar week is. Dat die dijen aan de binnenkant steeds dichter naar elkaar groeien. Het schaamhaar niet meer welig tiert maar wegkwijnt om een verlepte venusheuvel bloot te geven. Hoe lang nog tot een jeugdige versie van Cher hem in haar netten weet te strikken. Of hij bezwijkt aan een hartaanval, een auto-ongeluk of een beroerte! Of tot ik, op het enige kruispunt dat mijn zomerverblijf rijk is, word geschept door een aanstormende tractor, of aan kanker of een versleten hart overlijd!

Uit het niets flitst er een zwerm schaduwen om mij heen op het braakliggende stuk grond tussen de vijver en de moestuin. Ik kijk omhoog, de zwaluwen zijn terug! Dat is waar ook, het is zomer. Ik sta op en loop naar de keuken om mezelf een lekker koud glas water in te schenken met munt, citroen en gember. Nu het nog kan.

Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

Tjitske Zuiderbaan (Zwolle, 1955). Chroniqueur gedreven door liefde en aanverwante ellende. Schrijft korte verhalen waarvan zij hoopt dat niet al te veel lezers zich erin zullen herkennen. En toch ook weer wel.