Binken
leestijd: 5 min

Ik was in 1985 al een hele bink, hoewel niemand dat besefte. Het binkschap uitte zich bijvoorbeeld in wildachtig haar, omgeslagen broekspijpen en enkele buttons. Als vijftienjarige wilde ik ergens bijhoren, maar eigenlijk wist ik niet bij wie.

Misschien zou het tij keren. Ik moest namelijk examen doen voor de middelbare school en kreeg vanwege het gekozen vakkenpakket te maken met wisselende klassen. Nieuwe gezichten, nieuwe kansen. Een van mijn nieuwe klasgenoten zat in de jeugdselectie van SC Cambuur, een voetbalclub uit Leeuwarden, die enige tijd Cambuur-Leeuwarden heette en vervolgens weer Cambuur. Geen grote club, ook geen kleine, wel afkomstig uit een hoofdstad. Mijn middelbare school stond in Drachten. Dat was ook wel iets, maar niets vergeleken met Leeuwarden.

Als selectiespeler was mijn klasgenoot zich bewust van zijn meer leidende rol. Wanneer er met gymnastiek werd gevoetbald, pingelde hij de hele zaal door. Hij pingelde ook steeds met zijn kruis, alsof dat hoorde bij het gewoonterecht van een aankomend profvoetballer.

Op een dag vroeg hij een paar klasgenoten, waaronder mij, mee te gaan naar het Cambuurstadion voor de wedstrijd tegen FC Den Haag. Deze voetbalclub heette tot 1971 ADO Den Haag en na 1996 opnieuw ADO Den Haag. De club had een slechte naam. Fans sloopten geregeld een trein of bus en schreeuwden in plat-Haags dat iedereen een plek in de hel verdiende. Dit seizoen waren ze veruit de luidruchtigste, want het team werd gedragen door ervaren spelers als Martin Jol en Remco Boere en scoorde aan de lopende band.

Ondanks het gepingel van mijn klasgenoot voelde ik me vereerd. Ik was nog nooit bij een wedstrijd in het betaalde voetbal geweest en zou dus iets meemaken. Nou ja, eigenlijk was het meer semi-betaald voetbal, want net als nu werd de Eerste Divisie geassocieerd met halflege stadions op druilerige woensdagavonden in provincieplaatsen als Helmond en Veendam. Een voetbalplaatje van spelers illustreerde dat lot. Eerstedivisievoetballers als Jan Schulting en Eddy Bosman, spelend voor het toen nietige Heerenveen, stonden met twee pasfoto's op één plaatje, terwijl een eredivisiespeler als Marco van Basten de hele A8 had. Verschil moest er natuurlijk zijn, net zoals Het Goede Doel diep in de schaduw stond van Huey Lewis & the News, maar soms waren die verschillen gewoon te groot en was het alsof de ene partij een hopeloos probeersel was.   

In ieder geval: we gingen met de bus. Bussen slurpten nog zwarte diesel, hadden versnellingspoken die langer waren dan wandelstokken en werden bestuurd door mannen met petten. De rode skaileren banken voelden koud aan, het was 8 december. Onze klasgenoot moest nog een ochtendtraining afwerken en zou ons opwachten bij het stadion. Behalve koud was het die dag ook mistig. Ik was nog nooit in de Hofstad geweest, en had nog nooit iemand uit Den Haag gezien. Grote auto's doemden op uit de mist, waaruit bleke hoofden met lange matten tevoorschijn kwamen, die iets riepen over hoeren, riolen en allerlei ziektes. Het lawaai vermengde zich met de geur van uitjes, hamburgers en patat. Ik wist niet of ik hier wel bij wilde horen en stak die buttons daarom snel in het borstzakje van mijn jas.

Het gevaar was natuurlijk ook wel weer aanlokkelijk. Vooral die matten imponeerden mij. Veel jongens uit mijn klas hadden matten, maar dat waren meer matjes. Geen lange, maar brede. De lange mat zou wel iets Randstedelijks zijn, redeneerde ik: waarschijnlijk zei de lengte van de mat iets over de dagelijkse hoeveelheid drank en drugs. Hoe langer, hoe meer. Dat gold ook voor het aantal oorbellen en de lengte van de schakelketting.

Toch vergiste ik me, want mijn klasgenoot wachtte ons op bij de zogeheten MI-site, waar de luidruchtigste der Cambuurfans stonden. Veel van die lui hadden ook een lange mat, alsmede een schakelarmband, cowboylaarzen en een leren jas. Die van Den Haag hadden trouwens geen jas aan, wat ik vanwege de zichtbare tattoos nog gevaarlijker vond dan de lange mat.

Het gezag zette de fans ver uit elkaar, zodat ik na het betreden van het thuisvak in de verte alleen nog kluwen haar zag, waar af en toe geelgroene elementen doorheen fonkelden. Ik hoorde ze ook wel schreeuwen en zingen, maar dat werd geheel overstemd door Cambuurfans. Vooral spits Remco Boere moest het ontgelden, want die was aan het begin van het seizoen van Cambuur naar Den Haag vertrokken en dat werd hem via allerlei verwensingen in de afvoer- en publieke vrouwensfeer duidelijk gemaakt.

De thuisploeg scoorde als eerste, waarna mijn binkschap meteen op de proef werd gesteld. De menigte dook hard naar voren, waardoor mijn hoofd in mijn nek klapte en mijn opgeborgen  buttons in mijn borst prikten. Ik waande me in de botsauto's, zonder dat ik achter het stuur zat. Tegelijkertijd wist ik meteen dat weghollen geen optie was. Om te overleven moest ik meedoen. Ik hoorde ergens bij, maar was dit wat ik wou?

Den Haag scoorde ook, wat ik nogal moedig vond. Welke speler ging er nu juichend over het veld draven in een vijandig stadion? Hij werd natuurlijk op handen gedragen door de meegereisde fans, maar dan moest je wel naar de goede richting lopen. De thuisploeg nam hierna opnieuw de leiding, waarna de draaikolk aan emoties weer ingezet werd. Nu zat ik achter het stuur en stond ik mijn mannetje. De draaikolk loste weliswaar op, maar toen het einde van de wedstrijd naderde, dreigde er een wervelwind op te steken. Cambuur deed het dat seizoen niet best en een enorme verrassing hing in de lucht.

Op school lazen we voor Nederlands een tekst over een wedstrijd tussen Feyenoord en Ajax. De Klassieker in een lesmethode, dat las je natuurlijk vaker. De schrijver was een getuige, iemand die de feiten registreerde. Hij schreef dat Coen Moulijn de bal kreeg, waarna ik las: 'De Rotterdammers zagen hem al een goal maken'.

Dat was precies wat ik zag. Voordat Remco Boere daadwerkelijk de gelijkmaker scoorde, zag je hem al scoren. Het was diep in de extra tijd en er was niets meer aan te doen. De wedstrijd was ook meteen afgelopen. Verderop heerste extase, in het MI-vak heerste teleurstelling, onbegrip en woede.

Buiten het stadion spuwden de fans van FC Den Haag het zout in de wonden, maar wonderwel bleef de confrontatie uit. De toeterende auto's stoven weg, de mist in. Ze gingen terug naar het verre Den Haag, met zijn driecijferige huisnummers, morele decadentie en het eeuwige winnaarsgeluk der stadsbewoners. Sommige supporters zaten lallend in het raamportier, als Bo en Luke Duke uit The Dukes of Hazard. Dat was een programma van de AVRO, die nu AVROTROS heet. Ik keek ze na, alsof ik ze persoonlijk had  weggejaagd. Wij moesten trouwens ook weer naar huis en stempelden onze strippenkaarten af. Ik woonde nabij Drachten en bleef daarom als laatste over in de bus.

Mijn klasgenoot werd geen profvoetballer, maar slaagde wel voor het examen. FC Den Haag verloor nooit, eindigde als eerste en promoveerde naar de Eredivisie. SC Cambuur verloor vrijwel alles en eindigde als laatste. Dat verschil kun je het beste uitdrukken in voetbalplaatjes. Je bent de helft of de hele en daar zit niks tussenin. Marco van Basten scoorde die dag binnen 25 minuten vijf keer voor Ajax (tegen Sparta) en zou nog vele prijzen winnen. In de finale van het EK 1988 maakte hij de beslissende 2-0, waarna iedereen van voetbal hield. Het jaar daarop werd ik ook een stadsbewoner, met een driecijferig huisnummer en levend in morele decadentie. Ik hoorde ergens bij en voelde me heel gelukkig.

Deel dit verhaal
Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

Jaap Krol (Drachten, 1970) schrijft columns en recensies voor het Friesch Dagblad, straatmagazine De Riepe en voor het literair weblog Tzum. Laatstverschenen titels: Bovendien ziet niemand je als je zwemt (verhalen, 2021), De hond die overstak (verhalen, 2020) en Wederzien - Wederopbouw in Noord-Nederland (2020). Daarnaast verzorgt hij lessen voor de Schrijversvakschool Groningen.