De stier en de kever
leestijd: 5 min

Begin jaren zeventig verhuisden we naar Sneek. Dat betekende dat we alle familie achterlieten in Noord-Groningen, in dorpen als Zuurdijk en Eenrum. Regelmatig reden we de ruim tachtig kilometer terug naar het noorden om die familie te bezoeken. Bovendien logeerde ik in de schoolvakanties geregeld bij neef Jaap in Eenrum of kwam hij bij ons. Onze voornaamste bezigheden waren vissen, Old Shatterhand en Winnetou spelen en elkaar mishandelen bij Monopoly, want we konden geen van beiden tegen ons verlies.

Mijn vader was ambtenaar en dat was hij geworden door avondstudie. Hij was dagloner geweest bij boeren, maar dankzij zijn handicap kon hij het zware fysieke werk niet meer aan. Het is altijd onduidelijk gebleven waarom zijn heup vergroeid was en hij mank liep, het ene verhaal ging over een ziekte, het ander was dat zijn vader of moeder hem als baby hadden laten vallen. Hij bleef er tot zijn dood vaag over en ik denk dat hij het zelf niet eens wist. Wel had hij het tot vervelens toe over zijn wilskracht en dat wij, zijn kinderen, die niet hadden. Zwakheid werd niet getolereerd, behalve zijn eigen.

Pa was dus de meest succesvolle van zijn familie en aldus de eerste die een auto had: een vanillekleurige DKW Junior. Gelukkig waren mijn zussen aanmerkelijk ouder dan mijn broer en ik, dus die hoefden niet meer mee. Je ziet nog weleens auto's rijden die op DKW's lijken, dan heten ze Trabant of Wartburg. De DKW was iets groter, maar kwam bij mijn weten eveneens uit Oost-Duitsland of Joegoslavië.

Naar het noorden rijdend, passeerden we Leeuwarden en sloegen ergens in de noordelijke wouden af richting Kollum. De Lauwerszee was net afgesloten en een meer geworden en er lag nu een grote polder, bestemd voor de landbouw, de Kollumerwaard. Dat was het meest troosteloze stuk van de reis. De polder lag onveranderd braak en open, immers nog zilt en er was helemaal niets te zien. Tegenwoordig is het een prachtig natuurgebied waar we nogal eens op de fiets naar toe gaan, maar dit terzijde.

Bij Zoutkamp begon Groningen en ook de streek die toen nog De Marne genoemd werd kon me maar matig bekoren. In de herfst was het leeg en vaak mistig. De wegen waren modderig door de bietencampagne en of ik me al bewust was van armoede weet ik niet, maar ik voelde me nooit echt op mijn gemak door de enorme boerderijen en kleine huisjes. Dat kwam vast door mijn ouders die geen goed woord over hadden voor de boeren. Ook niet voor gereformeerden of de rest van de familie - lui en dom -, nee, eigenlijk voor niemand.

Die keer, het zal rond de herfstvakantie geweest zijn, namen we neef Jaap mee terug naar Sneek. Het was zo vreselijk mistig dat mijn vader met zijn neus op het stuur zat en zijn knokkels wit waren van het krampachtig vasthouden daarvan. Jaap en ik zaten achterin en mijn moeder zat tussen ons in. Zij moest ons rustig houden, want mijn vader kon geen afleiding velen. Nu niet en nooit niet. Mijn broer zat voorin.

We passeerden De Blauwe tent bij Reduzum, maar zagen het wegrestaurant niet. Met moeite vond pa de afslag naar N354, richting Deersum. De mist werd alleen maar dikker en het werd doodstil in de auto. Pa reed nauwelijks nog dertig kilometer per uur. We passeerden Deersum en toen stond pa ineens boven op de rem. Gordels waren er nog niet en mijn broer schoot onder het dasboard. Mijn moeder werd tussen de voorstoelen door gelanceerd richting voorruit. Toen een enorme knal en we stonden stil in een wolk van rook. Pa had het stuur nog in handen, maar het was compleet afgebroken. We klommen verbijsterd en gekneusd uit de auto. Iedereen leefde nog.

Bij een boerderij langs de weg was een jonge stier losgebroken en die hadden we aangereden. Onze DKW was een total loss. De boer trachtte zijn stier te vangen, maar zijn zoon wilde ons wel even naar Sneek brengen. Hij had een Audi. Dat was pas een auto! Wat een ruimte en ondanks de mist wilde hij best hard. Ik wist dat we een nieuwe auto nodig hadden en droomde van een nieuwe Audi, of zo'n grote Opel Kapitän, zoals mijn Ome Jan had. Dat was een oom van mijn moeder en hij deed iets vaags in de rosse buurt van Groningen wat ik toen niet snapte. Nu wel.

De DKW werd naar ons huis gesleept en het wrak stond nog dagen voor de deur. Mijn leeftijdsgenoten wisten daar wel raad mee en dacht ik dat ik ruim bemeten was qua fantasie, ook zij konden er iets van. Pa was stierenvechter geweest in Spanje, door een stier gepakt en daarom mank. Ik ontkende uiteraard niets, ik surfde heerlijk mee op golven van zijn veronderstelde dapperheid.

Maar groot was de teleurstelling toen hij een nieuwe auto kocht. Een rode VW Kever 1300 en hoewel die splinternieuw was stonk dat ding altijd naar benzine. Ik was altijd misselijk in dat geval en ook de rijstijl van mijn pa hielp niet erg. De Audi kwam er nooit. De Kever werd opgevolgd door een Vauxhall Viva, dat leek al een beetje meer op een auto en toen mijn ouders eindelijk gescheiden waren veroorloofde mijn pa zich de luxe van een Mazda 626 Sport Coupé. De man was een gevaar op de weg. Ooit zaten mijn zuster en ik in pure doodsnood, nota bene na een begrafenis, bij hem achterin op de kronkelweg tussen Eenrum en Aduard. We dromen er allebei nog weleens over. Mijn pa niet, die is dood. Eindelijk verlost van ons, zijn grote teleurstellingen.

Er was een tijd dat ik een patser was en ook grote auto's wilde en die heb ik ook gehad, maar nooit een Audi. Mensen in Audi's, BMW's en Mercedessen zijn maar verdacht. Neef Jaap restaureert tegenwoordig klassieke Mercedessen en rijdt zelf in een dure nieuwe. Ik naar volle tevredenheid in een zuinige kleine Toyota Yaris. Overigens zijn we nog steeds vrienden en gaan nog weleens samen vissen. We houden dan wedstrijdjes die hij altijd wint, maar we mishandelen elkaar nooit meer, want ik kan inmiddels tegen mijn verlies. Soms. Bovendien ben ik een stuk knapper dan hij.

Deel dit verhaal
Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

Lammert Voos (Eenrum, 1962) is dichter en schrijver van fictie en non-fictie. De novelle 'Malterfoske' (2019) werd goed ontvangen door pers en publiek. In 2020 verschijnt de roman 'Canisius'.