Rob
leestijd: 5 min

Ooit ga je dood. Deze week was het de beurt aan Rob Zijlstra, journalist, volleerd levensgenieter en dwarsstraat-auteur. Een beetje zwerver met een daklozenkrant of dakloos gitarist bij de entree van de McDonald's werd in de krant door Rob met een artikel uitgezwaaid. Het Dagblad van het Noorden was de speeltuin van deze betrokken stadsjournalist. Nu is hij zelf ervantussen.

Robs laatste jaren waren door medische malheur niet geweldig, zacht uitgedrukt. Dus is het tijd voor wat luchtigheid, geschiedenissen die meer bij hem horen dan de trieste gang van het ene naar het andere ziekenbed.

Zijn entree binnen - toen nog - het Nieuwsblad van het Noorden was in de tweede helft van de jaren tachtig veelzeggend. Eerst was er die licht sloffende tred op grote suède laarzen, direct viel een enorme bos krullen op, waar vervolgens Rob onder bleek te te zitten. Een soort Hagrid uit Harry Potter. Hij was ter redactie opgevallen met zijn werk voor een lokale krant in het gebied rond Leek en binnengehaald om ook voor het Nieuwsblad het "Westerkwartier" te doen.

In café De Burcht had de "Nieuwsbladtafel" bij kastelein Peter ten Hoove, aan de overkant van de krant aan het Gedempte Zuiderdiep, er direct een stamgast bij. Rob hing aan de lippen van journalistieke eminenties als Albert de Lange, later vertrokken naar Het Parool en inmiddels ook overleden en Syp Wynia, het orakel dat eenzelfde carrièrestap maakte en via Elsevier Weekblad inmiddels - net als oud-Nieuwsbladjournalist Wierd Duk - als "opiniemaker" rechts Nederland bedient met meningen die bij Rob niet populair waren.

En, niet te vergeten, Henk J. Meijer. De voormalige provo uit Amsterdam was in Groningen bij de krant terechtgekomen en zijn onnavolgbare persoonlijkheid en humor deden de aanwezigen vaak bulderen van het lachen. Meier overleed in 2011, nadat in 2003 rtv-verslaggever Fred van Garderen als eerste van de toenmalige Nieuwsbladtafel heenging.

Rob haalde in zijn beginjaren bij de krant, net als andere jonkies (Wilco Dekker en schrijver dezes), de woorden in het café even gretig naar binnen als het bier. Het was de start van zijn carrière die door gedrevenheid en betrokkenheid wordt gekenmerkt. En door emotie. Als Rob het onrecht vond dat een Chinese asielzoeker op papier niet bestond, bestookte hij de autoriteiten net zo lang met artikelen tot de man een burgerservicenummer had.

Met zijn stukken uit de rechtszaal, en vooral zijn wekelijkse pagina Zittingszaal 14, maakte Rob grote indruk. En altijd was er die maatschappelijke gedrevenheid. Als hij vond dat er in de politie- en justitiewereld iemand tussen de wielen was gekomen, stond de vechter in Rob op. Dan ging hij door roeien en ruiten, waarbij ook wel eens echt een ruit sneuvelde. Want wat in Robs grote kop zat, zat zeker niet in zijn al even grote kont. Robs vasthoudendheid was bewonderenswaardig en af en toe ook om gek van te worden.

Genoeg over zijn werk: Rob was geweldig, dat hebben de krantenlezers kunnen meemaken, maar dit epistel is geen "necro". Meer een herinnering over zaken die de meeste mensen niet van Rob kunnen weten. Ik wel, ik was er bij. Van collega's werden we vrienden en vierden gezamenlijke vakanties in Frankrijk, waar ze in het dorpje Salviac ook verdrietig zullen zijn over zijn dood. Vooral de dames, hoewel...

Vooropgesteld: Rob was, zeker in zijn jonge jaren, een prachtige man om te zien. Dus de komst van deze grote knapperd in een verder minder fraai vormgegeven vriendengroep veroorzaakte nogal wat deining in het kleine dorp, op de grens van de Dordogne en de Lot. Lokale barkeeper Pascal en restauranthouder Robèrt, beiden de Griekse beginselen toegedaan, vochten om Robs aandacht. Als we met de auto het dorp inreden voor onze vriendenweek, juichten beiden. Natuurlijk omdat ze een zeer goede omzet tegemoet konden zien, maar ook en vooral omdat ze Rob -  Robèrt voor de Fransen - hoopten te zien. Steevast was er hun vraag: 'Is Robèrt meegekomen?"

Tot zover de jongens. In het dorp ontdekten tijdens onze cafébezoeken ook de meisjes Rob. Enkelen van hen, zo'n 12, 13 jaar oud, stonden giechelend om de hoek bij de cafédeur om een glimp van hun idool daarbinnen op te vangen. Het bleef allemaal binnen de perken en amusant, tótdat we liggend aan de rand van ons zwembad, hoog gelegen in het heuvellandschap, datzelfde gegiechel hoorden.

Twee van de bakvissen hadden de zware tocht van een uur te voet afgelegd om bij Rob te komen. Met de auto deden we er precies acht minuten over, de speeltijd van het nummer Sweet Jane op de LP Rock 'n Roll Animal van Lou Reed, dat we steevast van begin tot eind meegilden op de heen- en terugweg naar en van het café - inclusief de gitaarpartijen van Dick Wagner en Steve Hunter.

Enfin, we hebben de meiden na een korte duik op die bloedhete zomerdag, waarbij ze nerveus de T-shirts aanhielden, terug naar beneden gereden. Vanaf dat moment moesten we de aandacht voor Rob een beetje managen. Hij was in Salviac, waar niets van schoonheid wilde groeien, een bezienswaardigheid.

De vreugde in het dorp over de bezoeken van Mooie Rob kreeg een klap in het jaar waarin alles anders werd. Het begon ermee dat Rob op het landhuis vaak alleen op de brede stenen veranda-trap ging zitten. Hij sloot zich af van de rest, zette een Sony Walkman op zijn hoofd en snoof af en toe wat aan een ieniemienie flesje dat aan een ketting om zijn nek hing.

Pas na lang aandringen kwam de aap uit de mouw: mijnheer was verliefd. In het kruikje zat haar parfum en op de Walkman draaide het nummer I Wanna Be Next To You van B.B. Queen dat de dame in kwestie aan hem had meegegeven: "Chris" deed haar intrede in de groep. We kenden haar nog niet, maar ze zou nooit meer weggaan.

Het jaar daarop kwam ze op visite naar ons vakantieadres, waar we destijds nog met gemengde gezelschappen verbleven. We draaiden geen muziek in het huis, smaken verschillen immers, maar wel 's avonds en 's nachts via de auto-luidsprekers op de cour van de oude boerderij. Lekker hard Southern Man van CSN&Y, live van het dubbelalbum 4 Way Street. Heerlijk vond Rob die muziek. Hippie-achtig, wat we allemaal wel een beetje waren destijds... maar Rob zeker.

Chris zou dus langskomen die week en dat hebben we geweten. Rob sliep in een tot appartement verbouwde varkensstal van de boerderij, de porcherie. Hij had daar wat meer privacy, maar kon er vooral ongestoord slapen. Véél slapen. Niet zelden zaten we na de lunch uit te buiken als tegen twee uur 's middags Rob uit zijn bed kwam, de porcherie verliet om vervolgens twee meter verderop in een hangmat te gaan liggen om daar verder te slapen in de buitenlucht. De man kon pitten als geen ander.

Maar dat jaar was dus alles anders. Er heerste een bedrijvigheid van jewelste rond de porcherie. In het hoofdhuis was al geen kaars meer te vinden en we misten ook wat stoelen en parasols op de veranda. In de verte, op het grasveld voor de porcherie, zagen we waar alles heen ging: Rob maakte een terras. 'Ik ga het een beetje gezellig maken voor Chris.' Hoewel we onze dagen doorgaans samen doorbrachten op de veranda, gunden we Rob zijn privéfeestje met zijn nieuwe vriendin op zijn eigen terras.

De rest is geschiedenis. Zij kregen verkering en later samen twee prachtige zonen. En Rob, die jarenlang op hoogte aan de Grote Markt had gewoond met uitzicht naar beneden op de kamers van de burgemeester wethouders van Groningen, verhuisde eerst naar de Emmastraat waar zij samen gingen wonen en later naar een Pippi Langkous-huis in het idyllische Onderdendam. Veel geluk viel hen ten deel... tot die hersenbloeding drie jaar geleden.

Hij ging al heel lang niet meer mee, maar op onze vakantielocatie in Nadalie gaat het tijdens de (inmiddels) jongensweek nog vaak over hem, boven een door Rob ook zeer geapprecieerd glas Armagnac of Calvados. En in Salviac valt zijn naam ook nog geregeld in gesprek met één van de twee meisjes van het zwembad: Katie, inmiddels de lokale uitvaartondernemer.

Pascal en Robèrt waren al overleden, onze Robèrt nu ook. Rob werd 62 en is tot het allerlaatst aan toe geknuffeld, gekust en liefdevol verzorgd door zijn vrouw: Chris.

Deel dit verhaal
Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

Hans Leber (Groningen, 1961) groeide op aan de Laan van de Vrijheid. Hij was vijf jaar doelman van GRC1 (‘79/‘84) vier jaar drummer van The Injectors (‘78/‘81) en werkte van 1985 tot 1991 bij het Nieuwsblad van het Noorden. Na 21 jaar Geassocieerde Persdiensten (GPD) werkt hij sinds 2014 bij de politie als contentregisseur.