Gisteren
leestijd: 2 min

Gisteren was het vrijdagmiddag, vier uur.

'Doe maar een kilo van die muisjes.' Dat had ze gezegd en ik dacht meer dan alleen 'wat is dat nou?' Van aardappels heb ik geen verstand.

Ik heb het nog even nagevraagd vandaag, aan het meisje van de groenteboer in de Steentilstraat: 'Zijn dat die muisjes?' 'Ja, Hollandse muisjes, zijn lekker, een pond of een kilo?' Maar ik koop nooit aardappels. Ik wou het alleen zeker weten. Dat vond ze vreemd. Ik wou het wel uitleggen, maar dat hoefde niet. Ik kocht een bakje champignons.

Nee, dan gisteren. Toen zij er ineens weer was.
'Doe mij maar een kilo van die muisjes.'

Zij zei het. Zij was het. Ik wist even niets beters, dus vroeg ik haar of ze een vuurtje voor me had, al had ik geen sigaret bij de hand, laat staan, dat ik met een brandende sigaret in de hand in een groentewinkel zou willen staan, met haar. Ik rook zelden. Dus dat werd lachen en we leefden nog lang en gelukkig vanaf gisteren, vier uur. Had gekund.

Ze pakte de muisjes. Ze keek me daarbij van opzij aan, even. Het was vier uur. Nu! dacht ik. De klok sloeg met grote slagen: 'Ik denk, dat ik voortaan maar vaker mijn boodschappen hier doe, bij deze groenteboer.' Ik hoorde het mezelf zeggen met een stem van iemand anders. Eigenlijk was ik nog aan de beurt, maar dat kon wachten, want ze wist niet hoe ze kijken moest. Ze draaide zich abrupt om, zei iedereen gedag, maar mij vooral. En eenmaal allebei buiten vertelde ik, dat ik al wist welke bakker, nu gelukkig ook welke groenteboer, en al bijna welke straat, maar dat ik nog nooit eerder iets had kunnen zeggen. We lachten wat. We lachten wat onhandig, maar ze woonde vlakbij. Dacht ik het niet. En we leefden nog lang en gelukkig vanaf gisteren vier uur. Of zoiets.

Ze overkomt me zo'n keer of zeven per jaar, denk ik, al zo'n jaar of zeven, schat ik. Nou ja, zeven is een mooi getal voor dit soort dingen en het is ieder geval lang genoeg, misschien niet vaak genoeg. Al die tijd is er veel gebeurd en veel veranderd met mij, maar los daarvan stond zij, liep zij, was zij, verscheen zij vaak op afstand, soms plotseling dichtbij.

Bij de bakker bijvoorbeeld. Altijd weer een hele schrik. Alsof er iets knapt in mijn hoofd, in mijn hart, dat bonst met van die donderslagen bij heldere hemel. Ik treed buiten mezelf, vlieg uit elkaar. Daardoor ben ik dan niet meer van deze wereld, en heb ik nog een paar dagen nodig om mezelf weer terug te vinden. Met andere woorden: als ik haar tegenkom, is dat een verrassing en weet ik zeker, dat ik besta en dat alles het nog doet. Wat wil ik nog meer?

Gisteren was het vier uur. Ik was net weer een beetje over de eerste schrik heen. Ze werd geholpen door de groenteboer zelf. Ik had al hulp van het meisje van de groenteboer. Ik had al een kilo red delicious, toen zij een kilo van die muisjes vroeg.

'Doe maar een kilo van die muisjes.'
'Doe nog maar een pond van die tomaatjes,' zei ik.
'En twee van die preitjes graag,' zei zij.
'Doe mij ook maar een prei,' zei ik.

Zo dicht bij een echt gesprek was ik nog nooit gekomen. Misschien had ik anders ook wel prei gekocht. Ik lust het wel.
'En nog een doosje champignons.'

Die had ik eigenlijk ook wel willen hebben gisteren, maar ik wou het er niet te dik bovenop leggen. Stom eigenlijk. Ik rekende maar af, net als zij. Ik was toch nog eerder buiten. Ik zocht mijn sleuteltje. Ik was even vergeten dat ik mijn fiets niet op slot had gezet. Ze kon niet om mij heen. Nou ja, eigenlijk wel natuurlijk.

Eens zal ik weten, wat ik tegen haar moet zeggen, dacht ik eerst voordat ik het ook echt zei. Het schoot er zo maar uit: 'Eens zal ik weten, wat ik tegen jou moet zeggen.' Ze schrok een beetje, net als ik alweer van haar, van mezelf. Dat was allemaal erg onhandig. Wat moest ze daar nu op zeggen. Maar ze zei het, met een lachje. 'Wat moet ik daar nu op zeggen?' En we wisten, dat we de zelfde kant op moesten en we leefden nog lang en gelukkig vanaf gisteren vier uur.

Ik zag haar weg lopen gisteren. Ik treuzelde met mijn fiets. Het was al weer even over vieren. Zo erg was dat nu ook weer niet. Ik keek haar na. Dat was een mooi gezicht. Ze loopt mooi. Meer vertel ik niet. Ik pakte een appel uit mijn tas (een Red Delicious!) om mijn getreuzel aannemelijk te maken. Zo kon ik nog wel even met een appel en de fiets aan de hand lopen. Ze sloeg rechtsaf. Ik maar niet meer.

Ik wist al welke bakker. Ik weet nu ook welke groenteboer, en ik heb een vermoeden waar ze ongeveer woont. Misschien is dat wel weer even genoeg.

Daarom was het vier uur. Zoiets is van korte duur. Het was een tijdstip, omdat de klok sloeg en even alles mogelijk was. Ik liep langs het Schuitendiep met de fiets aan de hand want ik had nog geen zin in fietsen. Kon een stukje van de Martinitoren zien, die ik eigenlijk nooit meer hoor, omdat ik hier te lang woon. Ik vroeg me af of ik hem dan toch bij de groenteboer had kunnen horen slaan gisteren.

Deel dit verhaal
Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

André Salters (Groningen, 1953) maakt liedjes met beeld. Er staan inmiddels zo'n 240 muziekvideo's van hem op YouTube. Tekenen en schilderen doet hij ook al een leven lang. De laatste jaren vooral realistische portretten van zijn eigen hondje - te zien op Facebook. Al in de jaren 80 schreef hij korte waargebeurde verhalen die hij voorlas op de radio (OOG en VPRO).