Bart van de Uitwierdeweg
leestijd: 5 min

Ik kon geen kant uit. De grote rioolbuizen die door de gemeentelijke dienst op het veld naast de Esso garage waren neergelegd, waren elk aan de achterzijde dichtgemaakt met een houten schot. En het was te laat om me in het duister achter in de ruime stenen pijp te verbergen. Ik besefte dat ik niet meer kon ontkomen aan de gemene knepen, harde stompen en gloeiende klappen van Bart. Hij was twee jaar ouder dan ik. Met mijn tien jaar stelde ik nog niets voor. Bart wel. Hij was een oudere jongen. Oudere jongens gingen altijd voor. Oudere jongens hadden altijd gelijk. Zij waren ook degenen die mochten pootje-meten om spelers voor hun voetbalteams te kiezen.

Je had oudere jongens en je had oudere jongens. Bart was er eentje voor wie je moest oppassen. Hij was niet alleen een nare pestkop, hij was ook een sadist. Hij wist dat ik doodsbenauwd voor hem was en die vrees gaf hem extra macht over mij.

Zodra ik hem ergens in Delfzijl-Noord zag, liep ik automatisch een paar blokjes om. Alles om hem te ontlopen. Gelukkig kon ik hem ook op afstand makkelijk herkennen: hij had rossig haar en een breed, rond gezicht zoals dat van een buldog.

Eind jaren zestig werd er achter de Ubbenslaan en de Olympiahal begonnen met de bouw van een nieuwe wijk. De daar geplande huizen moesten op het rioleringsnetwerk van Delfzijl worden aangesloten. De leiding daarvoor werd westwaarts langs de Kustweg aangelegd. Tot die tijd lagen de rioolbuizen op het veldje tussen de Esso en de Kustweg. De kinderen uit de buurt speelden erop en ook erin, want de buizen waren erg breed. Net had ik er nog met mijn buurmeisje in gezeten, met wie ik had gezoend. We waren te jong om het verkering te noemen, maar het was fijn om te doen. Corry moest weer naar huis. Ik bleef nog even zitten, lekker nasoezen, met de benen omhoog. Ineens verscheen er een schaduw voor de buis. Voor ik wist wat er gebeurde klom iemand bij mij in de buis. Even dacht ik dat het Corry was, dat ze misschien iets was vergeten. Maar nee, het was Bart. Ik was ingesloten. Ik kon niet weg.

Zoals gewoonlijk duurde het heel lang voordat de klappen kwamen, de knepen die diep door het vlees gingen en de doffe dreunen op de spieren op mijn bovenarmen die nog lang konden nazeuren. Voordat het zover was, maakte Bart de ene na de andere nare opmerking, waarbij hij telkens weer hintte op wat er straks zou gebeuren. Ik zweeg. Voelde alleen maar de angst voor het naderende geweld. Ik wist niet wanneer het kwam, maar wél dat het kwam. Ondertussen zette ik me schrap. Ook door rechtop te gaan zitten, in de hoop dat het zo straks allemaal iets minder zeer zou gaan doen. Tegelijkertijd zag ik Bart glimlachen. Dat deed hij des te meer toen ik toch nog even trachtte om langs hem te glippen. Terstond maakte hij zich zo breed mogelijk. Ik kwam er niet langs. Mijn hart zonk. Ik begreep dat er geen enkele mogelijkheid meer was om ongeschonden uit de buis te komen. Het getreiter vooraf leek een eeuwigheid te duren, de feitelijke klappen en stompen waren binnen een paar minuten voorbij. Terwijl Bart naar zijn huis aan de Uitwierdeweg liep, strompelde ik naar huis. Alles deed zeer. Net zoals al die andere keren dat Bart mij te grazen had genomen.

Maar ditmaal was hij te ver gegaan. Ik was het zat! Ik was het gedoe van die bullebak van een Bart spuugzat. Ik begon steeds minder te strompelen. Op den duur liep ik weer. Rechtop. Op het laatst rende ik zelfs. Thuis liep ik de schuur in, pakte wat ik nodig had en even later stond ik op de Uitwierdeweg voor het huis van Bart met mijn schaatsen te zwaaien. De meeste gezinnen waren al aan het eten, terwijl ik daar met keiharde stem Bart opriep om nu naar buiten te komen. De blauwe plekken, het fijngeknepen vlees, de beurse spieren, het was er nog allemaal, maar ik voelde het niet meer. Ik was witheet. Ik bleef maar schreeuwen. En ondertussen slingerde ik mijn Friese doorlopers rond aan hun dikke leren veters. Van boven in zijn kamer gluurde Bart door het gordijn naar beneden en meer en meer buren kwamen naar buiten om te kijken wat er aan de hand was. Intussen belde Barts moeder de mijne. Waarop Mum mijn vader stuurde om mij daar weg te halen. Pa zei verder geen woord. Normaliter was hij woedend geweest om 's avonds nog eens naar buiten te moeten gaan, maar deze keer zweeg hij.

Met Sinterklaas kreeg ik wat ik bovenaan op mijn verlanglijstje had gezet. Mum vond het niks, maar ik bezwoer haar dat ik het nodig had voor de padvinderij, waar ik sinds een jaar lid van was.

In de lente was het weer zover. Ditmaal op het grasveldje bij de Waterpoort in het centrum van Delfzijl. Opnieuw had Bart mij gevonden en in het nauw gedreven. Ik kon geen kant uit. Ik zag de misselijke glimlach onder zijn waterige, blauwe ogen. De furie die ik na het pak slaag in de rioolbuizen had gevoeld kon ik deze woensdagmiddag niet meer in mijzelf oproepen. In plaats daarvan leken angst en vrees weer de overhand te nemen. Ook al was ik net zo bang als altijd voor Bart, toch wilde ik dat ditmaal niet langer zijn. Terwijl hij alweer op me af kwam lopen met zijn gemene vingers en zijn valse glimlach, greep ik in mijn broekzak naar wat ik voor Sinterklaas had gekregen. Ik bedacht me niet, flipte het zakmes open en dreigde ermee in Barts richting. Geschrokken schreeuwde hij dat dat niet mocht. Hij deinsde zelfs terug. Te laat. Want ik stapte naar voren en ik stak hem. Verbijsterd keek hij eerst naar de rode kras die ik met mijn mes op de rug van zijn hand had veroorzaakt. Toen keek hij naar mij. Hij wou nog wat zeggen, maar opnieuw sprong ik op hem af, met mijn zakmes nog steeds ferm in de hand. Ik schreeuwde ook iets. Ik weet niet meer wat. Huilend rende hij weg. Het was de laatste keer dat ik Bart zou zien.

Deel dit verhaal
Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

Bill Mensema (Delfzijl, 1960). Halve Nederlander, halve Engelsman, halve Australiër, computerprogrammeur, radiomaker, striptekenaar, rocker, naaktmodel, notulist, taxichauffeur, copywriter, columnist, maar vooral schrijver.