In 1971 zaten we op een camping net ten zuiden van Barcelona. Ik was elf jaar oud en Mum had mij eindelijk gevrijwaard om nog langer vis te eten. Ik hoefde dat echt niet langer te doen. Waar dat gedrag van mij vandaan kwam, wist ze niet. Haar echtgenoot was jarenlang een zeeman geweest en ook haar familie was er eentje van zeelieden. Generaties lang was er aan zee gewoond en geleefd. Natuurlijk hoorde daar ook vis bij.
Maar ik als haar oudste weigerde het nog langer te eten. Dan liever niets! Waarop Mum het idee liet varen dat ik er vanzelf wel aan zou wennen. Ze kon mij daar niet langer toe dwingen.
Deze zomer verbleven we op de Spaanse camping El Toro Bravo. De dappere stier. Die desalniettemin steevast het loodje legde in de stierengevechten die we 's avonds op de zwartwit-mini-tv in de caravan zagen. De toreador en de matador zagen er daarentegen prachtig uit in hun schitterende pakken. Overal zag je posters van hen. In alle hoeken van het land kende men hun namen. Het was amper te bevatten, maar de stierenvechters waren in Spanje minstens zo populair als The Beatles bij ons. Of The Cats.
Er hingen ook posters van toreadors bij de campingingang van El Toro Bravo. Recht tegenover de receptie was daar een slagboom met een hokje ernaast. Daarin zat een mannetje met een dikke druipsnor, die de slagboom opendeed voor elke campinggast die zich met een penning bij hem meldde. Dan reed je nog een stukje door langs het bos en dan was er een doorgang die leidde naar de echte camping, met allemaal plaatsen die door de dennenbomen werden beschut tegen een overdaad aan zon. Tweehonderd meter verderop was er het strand en de zee, met eerst nog een pleintje met daarop de campingwinkel en de speeltuin en een klein restaurantje.
Na twee weken zee en zon wilden Jack en ik ook weleens iets anders. En dus gingen we samen met ons Duits vriendje Manfred maar weer eens kijken bij de campingingang. Vlak bij het hokje met de besnorde campingwacht was een vijvertje met een rubberen roeiboot. Dat bootje was oranje en wij wilden niets liever dan er een stukje mee varen.
Voor het eerst zaten er geen andere kinderen in te spelen. Dus ik zette het op een rennen en als eerste was ik bij het roeibootje, dat ik een duw gaf zodat het 't water van de vijver op ging. Ik sprong erin, terwijl ik rare gezichten maakte naar Jack en Manfred die er aan kwamen slenteren.
- Kom even terug, Jan, wij willen ook meevaren.
- Hadden jullie maar sneller moeten zijn, sukkels! lachte ik.
- Was sagt er? vroeg Manfred aan Jack.
Triomfantelijk roeide ik een paar rondjes in het rubberen bootje. Ik zag wel een paar zilveren dingen om me heen, maar ik besteedde daar geen aandacht aan. Ik was voor het eerst in mijn eentje aan het varen. Met een bootje op het water. Van een vijvertje, dat wel, maar dan nog!
Ik hoorde Jack en Manfred wel praten aan de oever, over dode vissen. Waarvan ik nu zelf inderdaad ook meer zag. Vissen met dikke ronde buiken die omgekeerd in het water dreven. Volgens Manfred zat er te weinig zuurstof in het watertje van de vijver. Ik begon al te gruwen van het idee en ik roeide weer terug naar de oever. Ineens zag ik alleen nog maar dikke, dode vissen om me heen in het water. Ik moest natuurlijk wel stoer blijven doen vanwege de andere twee, maar ik wilde nu zo snel mogelijk uit het bootje stappen.
En toen gebeurde het.
Met een van de roeispanen die nog op de oever lag viste Jack zo'n dode vis uit het water en smeet die in één vloeiende beweging naar mij toe waar de dode vis met de dikke, ronde, schubbige buik direct voor mijn tenen in het rubberbootje terechtkwam.
Mijn ouders knikten begripvol toen de campingbazin mij even later naar onze caravan terugbracht. Ze sprak goed Engels en dus kon ik haar goed verstaan toen ze zei dat ze nog nooit eerder een kind - of het nou een jongetje of een meisje was - zo hard had horen gillen als ik daarnet.
Pas twee uur later kwamen Jack en Manfred terug naar de caravan.


