Naamgenoten
leestijd: 3 min

In het geluidslandschap van het leven ontdek je al als kind al snel een donkere, bijzondere toon, waarvan je aanvoelt: dit wordt de eindnoot. Die noot, dat is de dood. Een goudvis zwemt geen rondjes meer in zijn kom. De poes wordt begraven in het park. Een buurjongetje valt van de trap en keert niet weer. Je staat ineens tussen huilende mensen, allemaal in donkere kleding, op een regenachtig kerkhof in november, omdat een tante is omgekomen bij een auto-ongeluk. Je had van die noot gehoord, maar nu hoor je haar voor het eerst, indringend en zuiver, en weet je: die is er voor altijd. 

De eerste keer dat ik met de dood in aanraking kwam, was ik acht jaar oud. Het was 1967 en mijn leven bestond uit schoolgaan, spelen en slapen. De drie magische s'en van een kinderleven. De wereld was groot en machtig, al bestond hij maar uit een paar vierkante kilometer waarin je ronddwaalde. En in die wereld speelden kranten, radio en televisie nog nauwelijks een rol. Soms waren het flarden, dwarrelende geluiden die langs je gleden, op weg naar de oren van volwassenen. Zesdaagse Oorlog, bijvoorbeeld. Of Flevopolder. Dr. Barnard. Kroonprins.

En Hans van Zet. Bij die drie woorden spitste je toch de oren. Want daar kwam je regelmatig, bij Hans van Zet. Die woonde vier huizen verder en had prachtig speelgoed, een soort racebaan met felgekleurde raceautootjes, daar speelde je soms hele middagen, want jullie hadden thuis geen racebaan met felgeKleurde raceautootjes. Hans van Zet was een jaar ouder en zat niet bij jou op school, wel bij de openbaren, terwijl jij van de christenen les kreeg, maar dankzij zijn racebaan met felgekleurde raceautootjes kwam je er toch graag. En Hans van Zet was aardig voor je, stuurde je nooit weg, misschien was het wel een vriend.

Totdat er op de radio klonk dat hij eindelijk was gepakt: de seriemoordenaar Hans van Zet. Hans van Zet bekent twee roofmoorden. Hans van Zet overgeplaatst. Hans van Zet nu ook verdacht van moord in Amsterdam. Hoe dat kon, dat een seriemoordenaar gevangen werd genomen, en tegelijkertijd in mijn straat met een racebaan met felgekleurde raceautootjes speelde, dat wist mijn achtjarig brein nog niet helemaal rond te breien. Het kon ook niet, dat wist ik wel, want ik zag Hans voorbijlopen, met de hond, een poedeltje. Maar toch: die naam. Die was hetzelfde.

Drie moorden had die naam op zijn geweten. Drie. Eén moord kon ik al moeilijk begrijpen, want hoe deed je dat? Maar drie? Sommige donkere noten kunnen nog donkerder zijn.

Wat ik met mijn achtjarige brein natuurlijk nog niet snapte was het juridisch systeem van verdachtenbescherming. Want de seriemoordenaar Hans van Zet heette helemaal geen Hans van Zet, maar Hans van Zon. Hans van Z. was een afkorting. Ook iets wat ik toen nog niet kon begrijpen. Dat je een woord kon afkorten. Want een woord was een woord en een naam was naam.

In alle verwarring begreep mijn onvolgroeide brein wel dat de Hans van Zet die hier bij mijn in de straat woonde niet de seriemoordenaar uit Utrecht kon zijn, maar het voelde niet goed. En dus ontweek ik hem, in de weken erna, in de gure decembermaand van 1967. Zijn moeder kwam zelfs bij ons aan de deur om aan mijn moeder te vragen waarom ik niet meer langskwam om te spelen. Mijn moeder vroeg het me, maar ik haalde schouders op. Hoe kon ik het uitleggen? Van die naam, waar drie moorden aan kleefden.
Een half jaar later verhuisde naar de familie Van Zet. Naar het westen van het land. Waar die andere Hans van Z. inmiddels achter slot en grendel zat. Hans heb ik nooit meer gezien. De andere Hans ook niet.

Nog geen jaar later hoorde ik voor de tweede keer die zware eindnoot klinken. Ik was inmiddels negen jaar oud, het was herfst, en mijn vader stond die ochtend beneden bij de trap. Dat was uitzonderlijk want hij ging meestal voor dag en dauw naar zijn fabriekje, aan de rand van het dorp. Maar nu was hij er nog, en hij keek ernstig. Mijn moeder stond achter hem, stilletjes. Mijn zus en broertje keken met grote ogen naar hen twee. 'Ik moet jullie iets zeggen,' zei mijn vader met zwaarte in zijn stem. 'Iets ernstigs. Opa Stiller is vanochtend overleden.' Mijn moeder viel hem bij. 'Hij heeft nog de vuilnisbak buitengezet, maar binnen zakte hij in elkaar.' Alles was plechtig aan dit moment, maar het leven ging door. 'Eet je boterham op en ga maar naar school.'

Ik liep naar school met loden benen. Het was herfst. Knikkerseizoen. De mooiste tijd van het jaar. Met een volle broekzak vol stuiters, knikkers en bonken ging je het schoolplein op om daar te strijden voor de winst. Felle gevechten in het fietsenhok. Degenen met de beste oog-handcoördinatie kwamen thuis als helden. Maar aan die gevechten en triomfen had ik die dag geen zin. Ik wilde me verstoppen. Ik ging in het uiterste hoekje van het plein zitten, ver van iedereen, met een bonk voor me. Ik wilde hier niet zijn. Maar ik moest wel. Dus was dit de beste oplossing. De truc lukte: niemand schonk aandacht aan me. Gelukkig. Daar klonk de bel.

Een dikke week later stond ik in de St. Lambertusbasiliek van Hengelo, te schuren tegen de zware, zwarte jassen van tantes, ooms, buren en kennissen van opa en oma Stiller. Donkere tonen begeleidden ons in en uit de kerk, verstierven op de begraafplaats waar de herfstige mist de bladeren van hulst en treurwilg deed glimmen. De pastoor wijdde het graf in met zijn kwast, de kist zakte en toen zag ik dat er op een houten bordje stond: 'Louis Johannes Stiller'. Met een geboortedatum en een overlijdensdatum.

Dat was mijn naam. Dat wist ik wel, dat opa en ik dezelfde droegen, dat ik was vernoemd, zoals dat heette, maar die naamsgelijkheid was nauwelijks tot me doorgedrongen, al had opa er op verjaardagen wel eens grapjes over gemaakt. Nu drong het tot me door, tot op het merg. Ik zag een kist in een donker graf zakken, waarin iemand lag die mijn naam droeg. Mijn negenjarig brein kraakte. Kon het zijn dat twee personen dezelfde naam hadden, hoe onwaarschijnlijk ook? Ja, dat kon ik begrijpen, al was het met moeite. Dankzij Hans van Z. Want mijn naamgenoot verdween in een donker graf, terwijl ik hier stond, met mijn hand in de hand van mijn moeder.

Naamgenoten. Dat idee begon heel langzaam door te sijpelen in mijn onvolgroeide bewustzijn. Naamgenoten hebben dezelfde naam, maar zijn niet dezelfde persoon. Hun begin- en eindtonen zijn anders, maar de noten van hun naam zijn dezelfde.

Deel dit verhaal
Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

Louis Stiller (Groningen, 1959), vertrok na zijn studie aan de RUG naar Amsterdam, werd journalist en schrijver, won de ECI-essayprijs, het Belcampostipendium en de Groninger Persprijs. Hij schreef een kleine veertig boeken, was oprichter van Schrijven Magazine en Schrijven Online en woont sinds 2007 in Warffum, op het Hogeland.