Bill's visverhalen #7: Vissen met zoenlippen
leestijd: 2 min

Telkens weer staarden de drie dikke, kogelronde zoenvissen me aan, als ik aan het werk was als afwasser bij Indonesisch restaurant Bali aan de Rademarkt, schuin tegenover het hoofdkantoor van politie. 
Ik verdiende er zes-en-half gulden per uur en ik kon er natuurlijk gratis eten en drinken. Ik mocht het zelf opscheppen in de keuken, maar ik stelde me daar altijd tevreden met een bordje Gadogado met satésaus ZONDER kroepoek. 
Vanaf het moment dat ik hoorde dat kroepoek van garnalen wordt gemaakt, at ik geen hap kroepoek meer. Het was net zo'n geval als toen ik als tienjarige van mijn vader hoorde dat vis zit in vissticks. Daar had ik tot dan nooit bij stilgestaan, maar vanaf dat moment at ik geen vissticks meer. 

Ik boende eerst de stapel borden in de wasbak. Er stond wel een afwasmachine in dat deel van de keuken van het restaurant waar ik mijn werk deed, maar die deed het niet. Gelukkig had ik wel een grote, vierkanten gootsteen. Daarin maakte ik de borden schoon. Er ging een afwasmiddel in waar ik nooit eerder van had gehoord (en waarvan ik ook niet kon lezen wat het nu precies was).

Ooit zat ik met Henri in een pizzeria in het Oostenrijkse Innsbruck. De pizza Fungi die ik gewoonlijk at, kon ik niet op de menukaart vinden, maar de pizza Quattro Stagione leek mij wel wat. Er was wel iets dat ik niet kende. Ansjovis. Henri had er weleens van gehoord, maar volgens hem was het geen vis maar een soort kappertje. Ik had de pizza natuurlijk ook zonder ansjovis kunnen bestellen. Dat soort dingen durfden vrouwen wel te vragen, maar ik was daar veel te schijterig voor. 
Even later lag ik te kotsen in de wc van het restaurant, want die duivelse ansjovis was wel degelijk vis.

Ik kon er amper naar kijken, naar die drie dikke karpers met die enorme zoenlippen. Ergens in de periferie van mijn blik zag ik wel dat ze blauwgroen waren en dat ze alle drie op een zilveren schaaltje lagen, van waar ze mijn werkzaamheden als afwasser bij het restaurant leken te overzien. Maar ik wist niet wat ze hier deden.
Toen ging het schuifje weer omhoog en duwde de ober in het restaurant de genuttigde borden van de klanten naar mij toe. Niet aangevreten kippenpootjes diende ik terug te leggen in de pan, de rest kon zo in de grote, blauwe vuilniston direct naast mijn aanrecht. Ik had daar een grote, houten lepel voor, waarmee ik het spul zo weg kieperde - of het nu restjes bami goreng of tjaptjoi waren, of stukken gefrituurde eend of godbetert een half aangevreten vis in rode saus. Alles ging in dezelfde ton die na twee dagen helemaal vol zou zijn. 

Eens legde Mum mij een vloerkadetje voor met ham. Het zag er dungesneden uit, die ham, en er zat ook een soort zigzagmotief in. Was dat normaal? Ik vroeg het mij af. Waarop Mum zei dat het speciaal vlees was. Ik twijfelde maar ik nam toch een paar hapjes van het kadetje. Ondertussen viel mij op dat Mum mij scherp in de gaten hield. Ik wist niet waarom. Maar de smaak van deze ham was niet helemaal goed. Ik kon er niet mijn vinger op leggen.
Nadien verklapte Mum dat ze mij zalm had laten eten. Woedend keek ik haar aan. Ik was verdorie al zeven jaar een geen-viseter. Dit mocht niet weer gebeuren. Beschaamd knikte Mum het hoofd.

Het bestek ging bij het restaurant in één schoonmaakronde. Ik vulde dan eerst al het verzamelde bestek in de gootsteen en dat vulde ik met heet water en dat mij nog altijd onbekende afwasmiddel. Zodra het lekker aan het schuimen was, ging ik er met een dikke, houten stok een paar minuten lang in roeren. 
Als ik de vorken en lepels er later uithaalde, waren die zonder uitzondering blinkend schoon.

Natuurlijk gebeurde het nog een keer. Dat was bij Digger thuis, een oude vriend van mijn Grandpa ergens in de valleien van Zuid-Wales. Ik was daar alleen met mijn Engelse grootvader en we bleven er eten. Digger had een stoofpot gemaakt, gelukkig niet van een van de lammeren van zijn schapenboerderij. Volgens Digger was het vlees misschien niet al te vers meer, maar hij had het goed doorgebakken. Ik proefde van alles in mijn mond en op den duur dacht ik dat het een soort kip was wat ik proefde. Pas toen ik mijn bord leeg had en voor me weg schoof, begonnen de oude mannen te lachen. Ook zij hadden mij gefopt. Het was geen kip geweest maar tonijn. Geprakte tonijn. 
De hele rit terug naar Cardiff sprak ik geen woord met Grandpa. 

Op de laatste vrijdagavond van de maand kwam er een oud mannetje met net zo'n alpinopet als Opoe Kappen in de keuken van het Indonesisch restaurant waar ik als afwasser werkte. Volgens de ober was het mannetje een varkensboer ergens uit de buurt van Peize. 
De varkensboer had enorm dikke vingers. Met een wijsvinger ging hij dan door de afval in de blauwe ton die inmiddels tot aan de rand gevuld was. Vervolgens stak hij die vinger in zijn mond en likte die helemaal schoon. Vol afgrijzen keek ik toe, telkens weer wanneer hij dat deed. 
Hij knipoogde dan naar mij en zei dat zijn zwijnen er vast van zouden genieten als hij het al zo lekker vond.

Ondertussen bleven de drie karpers met hun gigantische zoenlippen mij maar aanstaren. Ik begreep er niets van. Waren het nu steeds dezelfde drie vissen, of werden ze elke dag ververst? 
Ik kon het niet aan de koks vragen want die spraken alleen Chinees. En de ober lachte elke vraag daaromtrent weg. 

Deel dit verhaal
Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

Bill Mensema (Delfzijl, 1960). Halve Nederlander, halve Engelsman, halve Australiër, computerprogrammeur, radiomaker, striptekenaar, rocker, naaktmodel, notulist, taxichauffeur, copywriter, columnist, maar vooral schrijver.