De afgrond
leestijd: 4 min

Niets bereidde je voor op de stank en de chaos, de beelden die 's nachts terugkomen. Je schrijft je verhalen met de nodige distantie en verwondert je erover dat je erbij was. Het lijkt zo ver weg, maar er zijn kleine bewijzen. Dat ene bankbiljet met een munteenheid die niet meer bestaat dat je nooit weggegooid hebt, de koude rillingen die je voelt als er iemand achter je langs loopt, de angst die komt opborrelen als er in de uiterwaarden gejaagd wordt, het vuurwerk bij de jaarwisseling dat je terugwerpt in een uiterst alerte modus, waarin je niets behalve agressie voelt en nauwelijks of slechts licht slaapt. Bewijs was ook een telefoontje dat ik van een kennis kreeg of ik er behoefte aan had om een vrouw die ik naar Nederland had geholpen nog eens te ontmoeten. Ik dacht er een aantal dagen diep over na en kon het niet, wilde het niet, ik wilde vergeten.

Ik was destijds ongemerkt in een totaal gevoelloze staat geraakt die slechts gericht was op overleven, op psychisch niet instorten. Ik signaleerde de wereld zonder er deel van uit te maken. Er staken botten uit de grond, er hing vreemd fruit in de bomen, huizen brandden, mensen huilden, scholden, haatten, doodden, martelden en ze leken dan wel op mij, maar het waren een heel ander soort mensen. Dat vonden ze zelf ook, want hoewel ze dezelfde taal spraken en decennia lang buren waren geweest in hetzelfde land, hun God gewoon bij zowel Serviërs, Kroaten als Bosniaks Bog heette, ze me allemaal Nizozemska (Nederlander) of kurac (lul) noemden, stonden ze elkaar naar het leven alsof ieder ander mens de baarlijke duivel was.

Niemand had je verteld dat je zucht naar avontuur ruimschoots bevredigd zou worden, meer dan je zelfs lief was, en dat je onomkeerbaar veranderd zou zijn, dat je idealisme een andere kleur kreeg, dat jij degene zou zijn die als hij later de krant las cynisch zijn schouders op zou halen en zou zeggen: 'Zo zijn de mensen, zo is het altijd gegaan en zo zal het altijd blijven gaan.'

Het grote verdriet dat de mensen overkomt, het grote verdriet dat mensen aanrichten, dat mensen die op jou lijken gruwelijke dingen doen, jij weet het, jij hebt het gezien en je kunt er nog steeds niet bij, kunt het niet geloven, wilt het niet geloven, tot je weer naar binnen kijkt, de afgrond ziet, de duisternis, het verdriet en je weet: het zit in mij, gaat er nooit weer uit en eigenlijk weet je ook best dat wat die andere mensen deden dat ook dat bij jou van binnen zit, maar blijft dat ontkennen.

Zij spraken een andere taal, geloofden in Bog, terwijl jij altijd je punkhelden bleef naschreeuwen: God spelled backwards is dog! Maar stiekem huil je 's nachts, als je weer eens wakker ligt, en bidt of Hij de afgrond niet uit jou wil halen en of jij niet alsjeblieft een beter mens mag zijn dan die anderen, want daar doe je zo je best voor en meestal ben je erg ingenomen met jezelf tot je jezelf weer hoort schelden op die imbeciel die op zondag jouw rust verstoort met een motorzaag, dat je hem toewenst dat hij zijn eigen jatten eraf zaagt. En dan weet je dat het nooit meer goed komt en ook daar huil je om en om je kinderen die je in deze wereld gezet hebt en die waarschijnlijk later net zo teleurgesteld zullen zijn als jij, als het misschien al veel te laat is.

Dus als ik aan jou denk, mooi Zuid-Slavië, dan denk ik aan de bergen, de wouden, de mooie heldere meertjes, de hartelijke mensen die zelfs als ze zelf nauwelijks iets hadden met je wilden delen. Dan denk je aan de talrijke prachtige bergweggetjes, waar je geen last had van hoogtevrees, zoals anders, waar je gewoon naar beneden durfde te kijken, de diepte in, en die was niet eens duister.

En ik ontken. Ik ontken alles wat ik gezien en geroken heb. Ik ontken mijn angst. Ik ontken dat ik machteloos was en ben. Alles had en heeft zin. Er is geen afgrond, die is er nooit geweest ook.

Deel dit verhaal
Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

Lammert Voos (Eenrum, 1962) is dichter en schrijver van fictie en non-fictie. De novelle 'Malterfoske' (2019) werd goed ontvangen door pers en publiek. In 2020 verschijnt de roman 'Canisius'.