De drinker
leestijd: 5 min

Een mens is zijn eigen gevangenis. Zo gaat het bij mij tenminste wel. Er was een tijd dat ik alles kon. Dat ik de grootste auto van ons team had, de duurste jasjes, dat ik de meeste problemen oploste, dat ik alles aankon, een echte macher was. Bovendien verdiende ik goed, had status, was moreel van aanzien, want werkte immers voor vluchtelingen. Gouden tijden voor mij, niet voor hen. Toen ik mijn vader vertelde die topbaan gekregen te hebben zei hij: 'Dat hou je toch nooit vol.'

Er waren problemen in een aanmeldcentrum, waar bepaald werd of vluchtelingen überhaupt kans hadden tot de procedure - lees: het land -toegelaten te worden. Dat moest binnen een dag gebeurd zijn. Een bruut en onbarmhartig systeem. Dus werd ik erop af gestuurd om voor onze organisatie een oogje in het zeil te houden. Ik liep tegen muren van vijandigheid op: bij de marechaussee, de overheidsambtenaren, verwante organisaties waar ego's om voorrang streden en werd weggestopt in een hok zonder ramen, zonder rechtstreekse verbinding naar buiten. Mij werd bijna overal de toegang geweigerd, behalve naar de soep, koffie en chocolademachine in de gang. Ik zat de hele dag kaartspelletjes te doen op de computer of naar de muren te staren. In dat hok brandde ik op.

Wel hield ik nog toezicht op een noodopvang in de buurt, waar mensen zaten die volgens ons wel degelijk recht op toegang hadden, maar door de overheid geweigerd waren. Op een dag kreeg ik opdracht om een Macedonisch gezin uit de opvang te halen en op de trein naar Duitsland te zetten. Buiten was het heet, boven de dertig graden. De vader van het gezin, een ex-politieman, bezwoer dat hij bij terugkeer vermoord zou worden en vroeg me genadig te zijn voor zijn gezin dat verder bestond uit vrouw, kleuter en baby. Ik had de afgelopen jaren heel wat klotenverhalen van vluchtelingen gehoord, droomde daarover, had ook de nodige leugenaars tegenover me gehad, maar hem geloofde ik. Ik zag het in zijn ogen. Dus ik liet ze zitten waar ze zaten. Ik belde mijn chef, vertelde dat ik weigerde die mensen te deporteren en meldde me ziek. Ik schoof het probleem op het bordje van een collega, die de Macedoniërs gewoon op de trein zette. Toen mijn contract afliep werd dat uiteraard niet verlengd en aanvankelijk was ik daar opgelucht over.

Na een paar weken kwamen de muren op me af en ik ging naar een uitzendbureau. De man die me inschreef, vertelde dat hij in het noorden iemand gekend te hebben met dezelfde achternaam als ik. Een gek, een drinker, zei hij schamper. Ik antwoordde rustig dat deze man een oom van me was, een broer van mijn vader. De inschrijver durfde me de rest van het gesprek niet meer aan te kijken.

Ze hadden een baantje als toezichthouder bij het plaatselijke asielzoekerscentrum. Het werd wel duizend gulden slechter betaald dan mijn vorige, maar ik had gelukkig weer iets te doen. Wederom was verveling mijn grootste vijand. En nu werkte ik voor de overheid, dus ik kwam in conflict met mijn eigen geweten. Ik was altijd al een stevige drinker, maar nu kon ik absoluut geen maat meer houden.

Ik ging ook andere grenzen over: was gewelddadig, recalcitrant en begon bijna een verhouding met een asielzoekster. Haar overplaatsing was mijn redding. Toch kreeg ik een jaarcontract, want ik was doortastend in conflictsituaties en bij zelfmoordpogingen en ik luisterde naar de verhalen van de bewoners, hetgeen een zeker rustgevend effect had. Ik was populair bij gezinnen en alleenstaande vrouwen. Alleenstaande mannen hadden respect voor me. Dacht ik. Mijn nachtmerries keerden terug.

Op de terugweg van een personeelsfeest waar ik veel te veel dronk, immers gratis, kotste ik de bus onder. Het koste me mijn contract. Ik kelderde nogmaals in inkomen. Ik zat weer thuis tegen de muren aan te staren en stortte in. Werd opgenomen in een psychiatrische kliniek. Toen ik weer enigszins op het been was, bleken mijn problemen alleen maar groter geworden te zijn: ik kon niet meer aan mijn financiële verplichtingen voldoen.

Ik kwam in de schuldsanering, moest het drie jaar lang doen met dertig gulden per week. Het is godsonmogelijk alcoholist te zijn van dertig gulden per week. Gelukkig had ik een enorme collectie boeken en platen en destijds was dat nog gouden handel. Maar ik had drank nodig om de dagen door te komen, dacht ik. Dus ik haalde bij de Aldi literpakken wijn voor een prikje en zoop daar elke dag minstens twee van op. De nachten waren eveneens een hel van falen en onmacht. Vaak werd ik schreeuwend wakker. Ik had een emmer naast bed staan om in te pissen en verzorgde me nauwelijks nog. Vrienden keerden zich van me af. Destijds begreep ik dat niet.

Uiteindelijk bracht ik ook mijn favoriete boeken naar de ramsj. Paustovskij, Babel, Elsschot, Claus, Camus, allemaal moesten ze eraan geloven. Ik maakte mezelf wijs dat ik geen boeken nodig had, dat je die alleen maar verzamelde om de buitenwereld te laten zien hoe slim en belezen je was. Er was toch geen buitenwereld meer. Er was alleen mist.

Bovenop de stapel lagen de boeken van Fallada en de inkoper keek me een moment aan, of dat kwam door de ironie weet ik niet, maar ik zag die zelf wel. Ik worstelde me die drie jaar door, werd nog eens opgenomen na een overdosis pillen. Zelf weet ik daar weinig meer van, ik denk dat ik bezopen was toen ik die nam.

Twintig jaar later bestaat die boekhandel niet meer, ik drink niet meer, ben getrouwd en samen hebben we een huis gekocht. Ik heb een boek geschreven over de ansloze situatie waar vluchtelingen in verkeren en ben daar tevreden over. Ik hoop er mijn schuld een beetje mee ingelost te hebben. Ik word nog steeds wel eens schreeuwend wakker, maar zal nooit meer een druppel alcohol aanraken. Eens een drinker, altijd een drinker. Lees daar Fallada maar eens op na.

Deel dit verhaal
Sponsoren

banner-eigenzinnig-600px.jpg

Lammert Voos (Eenrum, 1962) is dichter en schrijver van fictie en non-fictie. De novelle 'Malterfoske' (2019) werd goed ontvangen door pers en publiek. In 2020 verschijnt de roman 'Canisius'.