Pioniers in een fonkelnieuwe wijk, dat waren we. Zoals dat dan gaat leerden veel van de nieuwe bewoners elkaar kennen via hun kinderen. Deze troffen elkaar, spelend op straat en op het schoolplein, hun wereld in onze nieuwe.
Al gauw liep de relatie van de ouders van een vriendinnetje uit de buurt vast. Het wilde niet meer vlotten. Voorgoed uit elkaar gaan of een confronterende relatietherapie? Die vraag werd uit de weg gegaan toen zich een nog nieuwere wijk aandiende. Een forse, grotere woning van twee-onder-een-kap beloofde het afdoende antwoord op hun huwelijksperikelen; materie als heelmeester.
Het nieuwe huis werd zorgvuldig ingericht, evenals de royale tuin op het zuiden. Laat dat soort zaken maar aan de vrouw-des-huizes over. Ook de nieuwe buren wisten wel raad met al die nieuwigheid. Al met al leek het een mooi perspectief.
Maar toch. Met dat nieuwe huis, in die betere wijk, bloeide de verwelkte relatie nooit meer op.
Zo nieuw, zo goed en zo harmonieus het allemaal leek, zo onvermijdelijke diende zich het einde van die broze relatie aan. Op een gepast moment werden de buren er discreet van op de hoogte gebracht. Ja, hun medeleven leek wat dat vraagt, maar urgenter bleek de vraag: 'Wat doen jullie met de gordijnen?'.
Van je buren moet je het hebben.

