I
Het appartement hing een beetje scheef, alsof het zich in een bocht probeerde te wringen. Maar het had een balkon waar precies twee stoelen en een pot rozemarijn op pasten, en dat was genoeg. Ze stonden met de sleutel in hun hand en voelden zich volwassen op de manier waarop twintigers dat kunnen: een jeugdige volwassenheid, als een blanco a4, ongetekend door tegenslag en teleurstelling.
Dankbaar waren ze ook. Dankzij Marit, die haar appartement aan ze wilden onderverhuren, konden ze hun leven eindelijk beginnen.
Marit zelf was opmerkelijk te noemen. Haar glimlach nerveus, haar gehandschoende handen permanent in elkaar gevouwen, alsof ze elkaar moesten bedwingen.
"Alles is voor jullie. Behalve de kelder. Daar zitten mijn spullen in en die zijn privé. Niet openen."
Dat was prima. Alleen al de geur die van die door de deur sijpelde -- oud tapijt, nat en vergeten -- maakte dat ze er geen seconde aan dachten om daar naar binnen te willen.
De winter viel vroeg dat haar. De koude lucht kroop door kieren die niemand ooit gedicht had, maar met wat kaarsen en chocolademelk werd het gezellig en knus. Ze hingen kerstlichtjes langs het raam en kochten zo'n heerlijk kitscherig kerstdorpje voor in de vensterbank. Ze waren werkelijk gelukkig.
Tot Marit belde. Haar stem klonk vreemd hoog , alsof er spanning op haar stembanden stond. Haar ademhaling was snel en gejaagd.
"Ik heb recht op huurtoeslag," zei ze. "Willen jullie dat even aanvragen en doorstorten?"
Ze probeerden het. Niet omdat het logisch klonk, maar omdat je in december geen ruzie wil. De instanties hadden echter hun eigen logica: toeslag voor de hoofdhuurder, die er ook moet wonen.
Ze vertelden Marit dat het niet kon. Ze zuchtte alsof zij gedupeerd werd.
"Los dit op. Ik reken op jullie."
De sfeer in huis veranderde. Er zat iets in de lucht, te licht om te benoemen maar precies zwaar genoeg om op te merken.
II
Toen kwamen de mails. Ze begonnen beleefd, maar veranderden al snel in toon. Smeekbedes zonder leestekens, dreigementen met teveel.
Het werd kouder in huis. Vochtplekken tekenden zich langs de plinten af. Achter de boekenkast groeide een donkere plek gestaag, dag na dag.
Zij werd ziek. Eerst een beetje, toen erger. Haar huid vertoonde plekken die kwamen en gingen zonder patroon. 's Nachts schrok ze wakker van geluiden: een bonk, een schuifel, alsof iemand zonder schoenen liep.
Hij hoorde niets. Maar toen hij met zijn oor tegen de kelderdeur stond, kwam er een zwak ritme tevoorschijn -- tik... tik... pauze... tik-tik.
Hij noemde het leidingen. Zij geloofde hem niet, maar ze zei het niet hardop.
De lucht in huis werd dik. Het rook bitter, medicinaal. Zij zei dat het soms net voelde alsof een oude vrouw over de gang sloop. Een aanwezigheid die zich kenbaar maakte door zacht gekraak op de overloop, een tochtvlaag met de muffe geur van oude mensen. "Weet je zeker dat je niet droomt?" vroeg hij. Ze wist het niet zeker. Dat maakte het erger.
Toen Marit mailde dat de huur omhoog moest "omdat jullie mij in gevaar brengen", was het genoeg. Bij vrienden en buren verzamelden ze dozen en begonnen hun spullen in te pakken. Met elke gevulde doos werd de zwaarte die ongemerkt op hun gemoed had gedrukt een klein beetje lichter.
III
Het nieuwe appartement was licht. Het stroomde vol overtuiging binnen door de grote ramen. Ze betaalden de aanbetaling met geld dat eigenlijk voor de huur was. En ze voelden zich er niet eens schuldig over.
De dozen met al hun spullen stonden klaar om de volgende dag in een busje te worden geladen. Op het balkon, naast de stervende rozemarijn, proostten ze op hun ontsnapping.
Hij vouwde net de laatste doos dicht toen een klein geluid zorgde voor een vreemde tinteling in zijn nek.
Het geluid kwam van een sleutel in het slot, dat langzaam en aandachtig werd omgedraaid, de voordeur die met die onmiskenbare hoge piep openging.
Marit. Haar haar plakte aan haar gezicht, haar pupillen waren te groot. Haar glimlach was té snel gevormd, alsof ze hem even daarvoor nog had geoefend. Als ze verbaasd was dat het stel hun boeltje aan het pakken was, liet ze dat niet zien. "Ik ben blij dat jullie er nog zijn," zei ze. "Ik ben bang dat we wat miscommunicatie hebben gehad. Niets wat een lekkere gin tonic niet kan oplossen, toch? Laten we het erover hebben." Ze hief een tas op, met het klingelende geluid van glazen flessen die elkaar raken. "Ik maak wat voor jullie, het recept is van mijn oma."
Ze liep al naar binnen voordat een van beiden een woord had gezegd. In de keuken zette ze glazen op een stapel verhuisdozen., en mengde gin uit een aangebroken fles met de tonic in de bekers waaruit het stel eerder nog koffie had gedronken. "Kom," zei ze. "Even zitten. We klaren de lucht" en ze reikte hen de bekers aan.
Omdat ze niet wisten hoe ze konden weigeren, en een tikkeltje schuldbewust vanwege de onaangekondigde verhuizing, namen ze plaats en pakten de bekers aan. Het drankje rook naar gin, tonic, oude koffie -- en iets anders. Iets dat meteen weer verdween maar een spoor naliet in de neusgaten.
"Oma wist precies hoe je mensen kon laten ontspannen," zei Marit. Verwachtingsvol keek ze het stel aan terwijl zij een klein dipje namen van de gin-tonic. De bittere smaak van de tonic kon niet maskeren dat er naast gin nóg iets in zat.
Onder hun voeten werd het geluid dat de afgelopen weken in hun onderbewuste had geknaagd plotseling luid en duidelijk. Het was het ritme dat zij 's nachts had gehoord.
Marit keek naar de vloer. "O, dat," zei ze met een handzwaai. "Dat is oma. Ze wil dat jullie blijven."
IV
Ze wilden opstaan, maar hun lichamen waren gekluisterd aan hun stoel. Het glas tintelde tegen hun vingers, alsof er beweging van binnenuit kwam. De kamer leek iets te verplaatsen; niet draaien, maar verschuiven, zoals een lift die nauwelijks voelbaar in beweging is.
Hij knipperde. De muren waren... dichterbij?
Of was het licht nu anders? Zij keek naar de kelderdeur. Die stond op een kier. Dat was nieuw. Er kwam een geur omhoog: iets ouds, stoffigs, als een koffer die te lang dicht had gezeten.
In de kier van de deur leek iets te bewegen.
Heel langzaam. Een adembeweging, of iets dat daarop leek. "Ik ben zo blij dat jullie er zijn," zei Marit. Haar stem klonk zachter, ver weg.
Hij probeerde iets te zeggen maar de woorden stierven nog voor ze klank kregen. Een vage trilling trok door zijn armen, alsof zijn lichaam een andere volgorde van handelen had gekregen. Het silhouet in de deuropening werd duidelijker.
Een kromgebogen figuur met om de schedel haren die gedrapeerd waren als oud spinrag. In de schaduw doemde onmiskenbaar een gezicht op. Zij kneep in zijn hand. Of dacht dat ze dat deed. De sensatie voelde ver weg, alsof er lagen tussen zaten. Het ritme begon opnieuw.
Tik... tik... tik-tik... Maar niet uit de kelder.
Dieper. In hun eigen borstkas, alsof hun hart even wilde meelopen.
"Zie je wel," fluisterde Marit. "Ze houdt niet van vertrekken." Aan de stoelpoten zaten kettingen waarvan de uiteinden zich ergens in de kelder zouden moeten bevinden. Wat vreemd dat ze die kettingen nog niet eerder hadden opgemerkt. De stoelen werden aan de kettingen langzaam naar beneden getrokken, richting het donkere gat van de deur.
De kelderdeur trok zichzelf dicht. Ze zakten dieper weg in de duisternis. Daarna bleven alleen voetstappen over, die zich boven hun hoofd verplaatsen van de woonkamer naar de hal. De voordeur opende zich met die bekende hoge piep.
En sloot zich weer.


